terug  begin  verderprepost

XII

Zomer 1951

De Willys Overland was onvermoeibaar en reed heuvel op heuvel af, reed door de Dinsdag, de Woensdag, de eerste week van Augustus, de tweede week. Reed urenlang dwars door behaaglijke bossen, langs kleine, open meren, reed door het oude prairieland van weleer waar nu de maïs opschoot, waar de gerst en rogge al werden binnengehaald, en waar, op de grote, verlaten graslanden de grauwe, neergestreken wolkenvelden der schapen zich langzaam voortbewogen in de richting van de wind, die droog, regenloos, van de Rocky Mountains aanwoei. Alec dacht vaak: wat een land, wat een wonderbaarlijke afwisseling binnen de rechte snijlijnen van slechts één staat. Honderden landschappen binnen één staat, honderden kleuren, geluiden, geuren. En zo was dat in elke staat, acht en veertig keer opnieuw. Wat een land!

Maar hoe gelijkvormig waren dikwijls de kleine steden en dorpen! De landschappen hadden alle zo duidelijk een eigen wil. De kleine steden en dorpen daarentegen verschilden vaak maar nauwelijks van karakter en schenen alle uit de bouwdoos van dezelfde rijke jongen te zijn gekomen. Ze reden Noord-Dakota binnen, de eenvoudige, rustige staat, waarvan de bodem geen enorme, industriële

[p. 69]

energie heeft en waar maar weinig grote steden zijn opgegroeid. Maar ook hier was de spankracht nog steeds niet op een dood punt gekomen, er was nog plaats en werk en voedsel voor steeds meer kinderen, er was nog geld voor steeds meer scholen en er was, aan de rand der kleine steden, nog steeds grond genoeg voor steeds meer gelijkvormige huizen voor steeds meer gelijkvormige jonge echtparen. Het jonge Amerikaanse gezin kon nog rekenen op een ruim, vrijstaand huis uit de bouwdoos van de rijke jongen. En dat was in elke staat hetzelfde. Altijd die heldere, frisse woonbuurten vol met gelijkvormige, vrijstaande huizen voor het welvarende gezin. Soms, als Alec en meneer Dall een lange rit voor zich hadden, kwamen ze 's ochtends wel eens vroeg langs zo'n woonbuurt. Jonge vrouwen in ochtendjassen wuifden nog vol aandacht naar hun wegrijdende echtgenoten, die met opgerolde mouwen zaten in hun trotse, glimmende cabriolets, op weg naar het laboratorium van de melkfabriek, naar de boekhouding van de maalderij of de ontwerpafdeling van de nieuwe meubelfabriek. De oudere vrouwen sloten verveeld de deur van de garage - waarom altijd die haast 's ochtends, waarom kon Jay nu nooit eens zèlf voor de garage zorgen? - of groetten achteloos met een plumeau, reeds denkende aan het kaartclubje van die middag, de sandwiches, en wat ze zouden zeggen van de nieuwe jurk van de buurvrouw. En hun mannen groetten afwezig terug met hun sigaar tussen de vingers en met hun gedachten al bij de herrie, die weer eens was begonnen door het hoofdkantoor. Of ze hadden de pest in omdat ze nog steeds niet wisten wat ze nu eigenlijk zouden doen met het pak Anaconda Copper. Of ze dachten erover om nu toch maar eindelijk die brutale Baker van de factuur-afdeling te ontslaan. De neef van Campbell was misschien toch inderdaad wel geschikter voor die plaats en bovendien: Campbell zou misschien geld in de zaak steken als ze zouden gaan uitbreiden het volgend voorjaar. En dan begon de dagtaak, met toch weer hetzelfde werk. Er lag natuurlijk post, met wéér een brief van die lastige kerel uit Minneapolis, de

[p. 70]

telefoon ratelde, Nicholson kwam binnen: er was een stelling doorgezakt op het magazijn, en de telefoon ratelde. Juffrouw Forster kwam binnen, voor het opnemen van de brieven en ze had nog steeds datzelfde rot-parfum. En de telefoon ratelde. De portier kwam, er zat een man uit Bismarck in de wachtkamer - ‘Laat hem wachten’ -, straks moesten eerst de monsters worden gekeurd. En de telefoon ratelde, o, wat een leven, wat een leven. En de telefoon ratelde weer. Juffrouw Forster had twee brieven helemaal verkeerd getikt. En de telefoon ratelde. ‘Meneer Bridges, die man uit Bismarck...’ In Godsnaam, laat hem dan binnen. En de telefoon ratelde, wat een leven! En zo ging dat de hele dag. En natuurlijk was er weer overwerk. En de telefoon ratelde, het was Mary, die zurig vroeg of er nog prijs op geroosterde kip met sla werd gesteld. Ja, natuurlijk, ik kom, ik kom dadelijk. Het werk moest maar blijven liggen tot morgen, wat een leven! En wat was er met de wagen aan de hand, wat was dat voor getik? Sla met kip; prentbriefkaarten, van John uit Sioux Falls en van Doris uit Itaska. De Browns hiernaast hebben een nieuwe frigidaire gekregen vandaag, en ik hoorde van mevrouw Pike, dat de Fletchers van plan zijn een nieuw televisie-apparaat te kopen, hoor je me, Jay? In elk geval, Jay: wíj moeten nodig een nieuwe loper op de trap. En doe je grijze pak aan straks, dat sportieve, dat is beter als je gaat bridgen bij zulke jongelui als de Fullers nog zijn. En morgenavond gaan we met de Chapmans naar de nieuwe drive-in, en overmorgen is er een etentje bij Caroline en haar moeder, nee geen pretje, maar wat moet je?

 

‘Waarom is het eigenlijk allemaal?’, mompelde Alec, maar Eric T. Dall verstond het niet of hield zich zo: hij had het te druk met de weg en de speedometer, waarvan het rode pijltje nerveus gehinderd werd door het drukke, grillige ochtendverkeer. Hij zei alleen maar mompelend: ‘Ze moesten de grote wegen in een nog ruimere bocht om de steden leggen, laten ze dat nou toch eindelijk eens doen’. En Alec zweeg en keek melancholiek naar de keurige,

[p. 71]

vrijstaande huizen, zonnige, gelijkmatige verworvenheden en hij keek naar de jonge vrouwen in ochtendjas, die na verloop van tijd even achteloos met hun plumeau een groet zouden zenden naar hun mannen als hun oudere buurvrouwen nu deden. En hij keek naar de oude en jonge mannen, die zich met eendere vlijt op het gezicht naar hun werk repten. Het maakte hem werkelijk droevig. Ze werkten als slaven, die kerels, het waren beste, goedwillende, sterke mannen, die niet tegen een extra uur werk opzagen. Maar wat was de winst van al dat harde werk? Was die winst een menselijke vrijheid in de uren van hun vrije tijd? Bestònd er voor hen vrije tijd, tijd waarin ze werkelijk vrij waren? Alec dacht: ze maken geen tíjd vrij met hun harde werk, maar ze verwerven zich dìngen, levenloze dingen: tapijten, frigidaires, televisie-apparaten. Ja, vooral televisie-apparaten. Ze werken als slaven om dingen te kunnen kopen, waarmee ze hun vrije tijd gemakkelijk om zeep kunnen brengen. Dit is geen leven, dacht Alec, niet eens existeren, dit is domweg functionneren. Functionneren als een opgewekte kanarie, die men zangzaad toedient uit een pakje. Het is een vlak, horizontaal functionneren zonder een verticaal moment. En waarvoor leefde men anders dan voor dat verticale moment? Waarvoor leefde men anders dan om zo vaak en zo intens mogelijk te ervaren, dat men geheimzinnig leefde? Waarvoor leefde men anders dan om voortdurend te denken over het leven, met altijd dezelfde vragen en met bij voorbaat de vreemde, veilige voldoening dat een definitief antwoord niet ter zake deed, juist niet ter zake deed?

‘Zo’, zei meneer Dall, ‘die is ook weer ingehaald. De weg is vrij’.

Alec keek hem steels aan. Daarna liet hij zijn hoofd rusten. Hij dacht: en deze man maakt me het droevigst van allen. Nog wel een man, die Shakespeare heeft gespeeld! Wat moet dàt een slecht acteur zijn geweest!

prepostterug  begin  verder