De man achter het bureau droeg een blauwige bril en zette zeer secuur een handtekening onder een groot papier dat hij daarop voorzichtig schoof in een brede, dikke envelop met het rode woord ‘Geheim’ erop. Hij verzegelde de envelop zonder haast en de beide mannen voor zijn bureau keken ongeïnteresseerd toe. Toen de lak hard was, nam de oudere man - een ferm, fris type - de envelop over en stak hem in zijn actetas, die hij enigszins onhandig vasthield, omdat onder zijn mouw van het handvat naar zijn pols een strakke ketting liep. Man en tas waren onzichtbaar één. De jongere man - iemand, die de indruk wekte verveeld te zijn, - keek onverschillig toe, zijn linker hand in zijn broekzak. De andere hand hield hij - als een slappe Napoleon - tussen zijn revers. Ze groetten de man met de blauwe bril en gingen heen. Buiten stond een gepantserde auto, die hen snel naar een ander gebouw voerde. De man in de lift keek zwijgend naar de tas. ‘Kamer 99’, zei hij, toen ze boven kwamen. Achter het bureau van kamer 99 zat een dikke, kale man met een zeer intelligent, plezierig gezicht. Hij nam de envelop aan, opende hem, las het papier. Hij kriebelde zich boven de neus, begon opnieuw te lezen, ging naar de brandkast in de hoek en sloot het document weg. ‘Bedankt’, zij hij. De twee mannen gingen heen, rustig, het was hun dagelijks werk. De dikke man
verzorgde het nummerslot, liep terug naar het bureau, belde en zei: ‘Van? Luister’. Hij dacht even na en sprak toen zacht en nauwkeurig zes namen uit. ‘Bel ze. Ik verwacht ze om vier uur in kamer 213’.
Om vier uur waren ze present om de rechte tafel. De dikke man vertelde hun snel de inhoud van het document. De zes begonnen met vage sensatie in hun toon te confereren. Ze noemden namen, overwogen vele zaken, waren om zeven uur klaar. ‘Van? Er ligt hier een lijst met namen voor je. Iedereen moet morgenochtend om tien uur aanwezig zijn, in zaal 3. Politiebewaking, detectives. Lunch in 3b’.
Dat was in 1951, op een voorjaarsdag. Van die dag af was zaal 3 onbereikbaar voor iedereen zonder speciale pas. Er werd geconfereerd, de vergadering werd verdeeld in secties, secties werden verdeeld in ondersecties. Operatie Quartet was in voorbereiding. Er werd een geheime datum vastgesteld: 29 Juli 1951. Op 5 Augustus zouden de aangegeven territoria definitief ontruimd moeten zijn. Op 25 November zou Het Complex moeten zijn voltooid. Een uitvoerig werkschema ontstond, een enorm draaiboek, elke handeling stond er van dag tot dag, van uur tot uur in aangegeven, het aantal werkkrachten, de te gebruiken materialen, hoe ze vervoerd moesten worden. Het drieduizend vijfhonderd één en tachtig pagina's dikke boek was gereed op twintig Juli. Alles was in orde, nauwkeurig als een militair aanvalsplan. De man met de blauwe bril liet naar het andere gebouw bellen. Kamer 99. Hij zei: ‘Goed werk’. De dikke man zei glimlachend: ‘Bedankt’. Hij was duidelijk een paar kilo lichter geworden.
Op de vroege ochtend van 29 Juli ging een grote, gemotoriseerde politie-ploeg, voorzien van stafkaarten en ontruimingsbevelen, langs al de villa's. Een uur daarna reed een ploeg van honderd houthakkers de bossen in, een kwartier daarop gevolgd door tractoren, hijskranen, machines. Om tien uur 's ochtends was er al een grote open plek in het bos. Om precies vijf over tien waren de vijf-
honderd bouwvakarbeiders aanwezig met de pre-fabricated barakken. Om twaalf uur stonden er dertig klaar, compleet ingericht, met de bedden opgemaakt. In de keukenbarak waren de koks al bezig. Vijf en twintig honderd nieuwe arbeiders arriveerden om half één. Om half twee dreunde heel Oaklake, er werd gewerkt met dynamiet, bomen kreunden, vielen bij tientallen tegelijk. Een oorverdovend geratel van een ganse batterij betonmolens mengde zich daardoor, sirenes gaven code-seinen. Aan het einde van de volgende dag waren er driehonderd barakken gereed, keukens, kantoren, kantoren, kantoren, ontspanningszalen, bars, twee bioscopen, drie kerken, badhuizen, een ziekenhuiscomplex, tekenzalen, een gemeentehuis, een complete, kleine stad met een eigen electrische centrale. Op 5 Augustus was er 50 mijl betonweg klaar, was men al begonnen met de stuwdam, liep er een reusachtige, electrisch geladen omheining door wat er van het bos was overgebleven. Des nachts was het in Oaklake even licht als overdag, geweldige schijnwerpers stonden overal opgesteld. Tienduizend arbeiders werkten continu in drie ploegen, werden gecontroleerd door honderden geüniformeerde mannen. En Oaklake kreunde, dag en nacht, dag en nacht. Er groeide langzaam een enorm gebouw van grillig op elkaar gestapelde kubussen. Op De Heuvel werd beton gestort, beton gestort, beton gestort. Er verrees een kolossaal, rond geval van metaal. De stuwdam aan het einde van het meer kreeg vorm. En Oaklake kreunde, dag en nacht. Het veranderde van geur, vogels vlogen onrustig over het meer. Een nieuwe, verschrikkelijke wereld was bezig vorm te krijgen. En Oaklake kreunde, dag en nacht.
In deze wereld arriveerde Alec J. Weatherwood midden September 1951. Het was hem, toen hij naar de verwoeste omgeving keek en hij de handen tegen zijn oren hield, alsof hij voorgoed beroofd was van een laatste zekerheid. De maanden met meneer Dall waren, dat wist hij nu, een paradijselijke zomer geweest.