Herfst 1951
‘Het moet van de dokter’, zei Joan, ‘minstens een uur per dag. Maar ik doe het graag, dat wandelen’.
Joan was, onder haar beige-bruine nertz-mantel, zichtbaar zwanger.
‘Maar hier is het de goeie plaats niet, je moet de linkerkant opzoeken, daar is het nog stil. De kant op van Tom's Cabin’, zei Alec.
Ze zaten in het grote eikenbos tussen de varens, op een omgewaaide boomstam, die men al jaren verzuimd had op te ruimen. Het was hier nog ongerept, dit gedeelte viel buiten het plan. Het was er zelfs nog vrij stil; alleen zeer vaag waaiden nu en dan de geluiden aan van de betonmolens en de sirenes. Maar van die wereld was hier niets te zien, en daarom was Alec er 's ochtends heen gegaan, een beetje doelloos, ontworteld als de boom waarop hij ging zitten; maar minder verzoend met het lot. Hij zat daar maar en rookte sigaretten, wat hij anders zelden deed, en hij overlegde wat hij zou doen. Het was een week na zijn terugkeer en die ochtend had hij ernstig gesproken met Charley. Jawel, Charley begreep het best, het wàs een toestand om er geen oog meer bij dicht te doen. En die cynische journalisten en brede, alcoholische aannemers 's avonds in de bar waren óók geen pretje. ‘Maar eind November is alles voorbij. Denk er eens rustig twee weken over na. Werkelijk, Alec. Ik neem het je niet kwalijk als je er tussenuit trekt, maar na November wordt alles beter. Dan komt er hier weer rust. En dan zal het publiek 's avonds ook wel anders worden, allemaal van die geleerde mensen, dat is wel wat voor jou’. En toen kwam Charley met zijn troef: ‘Kijk, ik had gedacht om een schoorsteen in Tom's Cabin te laten bouwen. Dat is nou net een huisje voor jou om in te gaan wonen van de winter. Ga maar eens kijken vanochtend’, en hij gaf hem een hartelijke klap op de schouders en reikte hem de sleutel over.
Maar Alec was niet naar de steiger gelopen, hij was landerig het bos in gedwaald. Hij had daar misschien tien minuten tussen de varens gezeten, toen hij ineens Joan door de bomen zag komen, langzaam, doelloos, met de handen in de zakken van haar bontmantel. Ze was de eerste van de Pousekovskys die hij die week zag.
‘Dag mevrouw Pousekovsky’, zei Alec opstaande. Het was al vrij koud voor September en hij had een oude ulster van Charley aan, waarin hij zich shabby voelde.
Ze was helemaal niet verrast en keek hem met haar enigszins droevige ogen glimlachend aan. Toen kwam er langzaam iets anders in haar glimlach, iets nieuwsgierigs misschien. ‘Bèn je veranderd?’, vroeg ze.
‘Hoezo?’
‘Ik dacht dat je wel wist, dat ik Joan heette’.
‘Jawel’, zei hij.
‘Nou dan’, zei ze, ‘blijf dan mènselijk, hè. Daar was je het vorige jaar ook zo goed in’. En toen: ‘Ben je vèr geweest in de wereld?’
Hij vertelde haar het één en ander, rustig, bijna dof. Pas toen hij bij meneer Dall kwam en hij wat citeerde uit diens lezingen, werd zijn toon vrolijker. ‘En nou ben ik dan weer hier’, zei hij. ‘Alles goed met de familie?’
Ze ging er bij zitten en vertelde van haar toestand, en over het advies van de dokter.
‘Als je er geen bezwaar tegen hebt’, zei Joan, ‘zou ik wel eens een keer met je willen méélopen, de kant van Tom's Cabin op. Ik heb niet zovéél aanspraak, zie je, ze hebben het allemaal nogal druk’.
‘O ja?’
‘Natuurlijk, wat dacht je dan? Dit is Operatie Quartet!’
‘Ja’.
Ze pakte hem plotseling bij één van zijn revers en zei: ‘Zeg, gekke Weatherwood, ben jij heus alleen maar teruggekomen om de verwoesting van je geliefde Oaklake te bestuderen? Of gaat het om een ander soort masochisme?’ Hij zei: ‘Ik weet het waarachtig niet’.
‘Helen is geweldig druk bezig’, zei Joan, alsof ze het al
die tijd al vaag over haar hadden gehad. ‘Ze heeft een enorm geloof in haar nieuwe werk. Ik weet alleen niet, wat voor werk het precies is. Biochemisch, het heeft met hormonen te maken, met type-verandering of zo. Ja, ze gelooft er enorm in’.
‘Gelooft ze ook in zichzelf?’
‘Ze gelóóft dat ze in zichzelf gelooft’. Ze keek afwezig en zei: ‘Eigenlijk is ze een reuze schat. Maar ze is helemaal op hol gebracht door haar opvoeding.’
‘Hoe?’, zei Alec.
Ze overlegde hoe ze het zou formuleren en begon vrij langzaam, als om het zichzelf allemaal nog eens te vertellen: ‘Mama was altijd bang flaters te slaan. Dat hèb je met dochters van rijkgeworden kroegbazen als ze in andere milieu's komen. De wetenschappelijke wereld was mama's enig mogelijke wereld geworden’. En spottend: ‘Ik begrijp niet, wat ze er aan vond. In ieder geval: Helen zag in haar jeugd weinig anders dan introverte academici om zich heen. De rest van de wereld bestond uit lowbrows, met wie elke omgang eenvoudig onmogelijk was. Helen zou en moest slagen, ze was per slot het enige èchte Pousekovsky-kind, en mama's ideaal. Maar de jongens waren toevallig ook niet mis. Helen had niet alleen de intelligentie, maar ook de èchte overtuiging van een Marie Curie moeten hebben om met ze te kunnen concurreren’.
‘Verder’, zei Alec.
‘Maar ze heeft die overtuiging nooit gehad, nooit echt. Ze wist altijd wel, dat ze niet zó knap was als Bert en William. Maar mama zei, dat ze het wèl was. Die heeft haar een overtuiging òpgelegd. Helen zou en moest schitteren, minstens zo sterk als William, de lieveling. Van Helen heeft ze nooit echt gehouden, denk ik, het ging niet om Helen, het ging om haar zelf’.
‘Verder’.
‘Verder niets natuurlijk’, zei Joan, ‘ze zal en moet nu schitteren. Maar ze moet het niet uit intellectuele overtuiging. Het is uit jaloezie tegen William, die inderdaad verwend is vroeger, en uit haat tegen papa, die haar, zoals
al de kinderen, eigenlijk wel heeft verwaarloosd. Het zou haar triomf zijn papa te kunnen overtreffen. Op welke manier dan ook, wetenschappelijk of bijvoorbeeld door een huwelijk, en dan alleen maar met een man, die nòg knapper is dan papa. Zoiets. Ik denk altijd, dat het zoiets is’.
‘Wat zou je er aan kunnen doen?’, vroeg Alec.
‘Niets natuurlijk. Als jij je misschien illusies maakt in die richting...’
Alec zei: ‘Ik maak me nooit illusies’.
Ze stonden op en wandelden samen in de richting van de villa ‘Sunrise’, waar nu àl de Pousekovskys resideerden.
Joan vroeg: ‘Kunnen we nù niet naar Tom's Cabin lopen?’
‘Nee, dat is te ver voor jou, heen en terug’.
Ze kwamen bij het gazon.
‘Kijk, daar loopt ze’, zei Joan. ‘Een paar maal per dag gaat ze het meer over om te kijken hoe het vordert aan de overkant’.
Helen liep in een hagelwitte overall over de flagstones. Haar rode haar was nu kort geknipt in de nek, en reikte nog niet aan het groene shawltje, dat ze om haar hals droeg. Ze zag er zeer sportief uit, maar te mannelijk. Eigenlijk viel ze Alec tegen, ze was vooral ook gewòner dan hij al die maanden had gedacht.
Joan zei plotseling: ‘Als zíj ons eens in haar boot naar Tom's Cabin bracht, Alec? Is het dan nòg te ver om te lopen, alleen maar dat stuk terug?’
‘Nee, dat denk ik niet’, zei Alec enigszins onwillig.
‘Helen!’, riep Joan. Ze liep op haar toe, dwars over het gras. Alec bleef staan onder de bomen, pakte, om zich een houding te geven, een mes uit zijn zak en begon een beetje in een stam te krassen.
Hij deed zijn best niet naar de steiger van ‘Sunrise’ te kijken. Hij voelde zich onzeker en hij dacht: wat heb ik toch? Het is maar het beste dat ik vertrek uit Oaklake, ik moest nu eindelijk maar eens proberen ergens rustig te gaan wonen, zonder verwarring.
Hij hoorde Joan roepen en zag, dat ze hem wenkte. Helen lachte vaag over iets dat Joan blijkbaar net had gezegd.
Onverschillig kwam hij aanlopen, met het open mes losjes slingerend tussen duim en vinger. Hij zei: ‘Dag juffrouw Pousekovsky. Nog bedankt voor het boek. En voor de opdracht’.
Helen kleurde licht, keek op een merkwaardige manier, als geobsedeerd, naar zijn mes en zei: ‘Er stond niets van juffrouw in dat boek’.
‘Dat was ik niet vergeten’, zei hij, en tegelijk dacht hij: o verdorie, waarom moet ik dat nou zeggen? Hij knipte zijn mes dicht, stak het weg.
‘Alles goed?’, vroeg ze.
‘Nee’, zei Alec, ‘niet zo best’. Hij glimlachte en voegde er aan toe: ‘Ik ben bedroefd over de toestand van Oaklake’. ‘Ik niet’, zei Helen. ‘We zijn niet op het schema achter’. Ze liepen in een onzekere, vijandige stemming de steiger op en stapten in de motorboot. Helen vroeg: ‘Gooi jij de boot even los, Alec?’
Dat deed hij en even later voeren ze weg. Alle drie zwegen ze, een hele tijd, de stemming werd pijnlijk.
Joan vroeg: ‘Zijn we weer met de lunch thuis, Alec?’
‘Misschien, reken er niet te vast op’.
‘Je moet je niet té veel inspannen’, zei Helen.
‘Nee, dat komt wel goed’.
Helen keek terzijde, liet haar blik glijden over Alec's overjas. Ze vroeg zacht, zonder een onaangename bijbetekenis: ‘Zit je aan de vloer, Alec?’
Hij lachte kort. ‘Nee, waarom?’
‘O, zomaar... Ik had eigenlijk niet gedacht, dat je hier nog zou terugkomen’.
‘Ik verbaas me er zelf ook over’, zei hij.
‘Leuk gehad dit jaar?’
‘Achteraf gezien bijzonder plezierig’.
‘Achteraf valt het dikwijls mee’, zei ze.
Ze spraken nog wat met zijn drieën zo nu en dan, niet ter zake doende woorden waren het. Het was, of er iets droevigs achter alles zat, een onbepaalbare melancholie.