Herfst 1951
‘En toen?’, vroeg Joan.
‘En toen niks. Helemaal niks. Zomaar een beetje leven’. Een hele tijd liepen ze zwijgend door de koele Septemberdag. Soms keek Alec kort naar haar. Hij vond, dat ze veranderd was, dat ze mooier was geworden. Het moest voor een man maar weinig moeite zijn, dacht hij, om haar voorgoed op te vrolijken. Hij dacht dat objectief, zonder het spijtgevoel, dat híj die man had kunnen zijn, want zo was het helemaal niet. Misschien kwam het door haar zwangerschap, dat er voor hem alleen maar iets zusterlijks van haar uitging.
‘Zomaar een beetje leven dus’, herhaalde ze toch nog, of ze er diep over had nagedacht.
‘'t Was erg gemakkelijk in het begin’, zei hij. ‘Je weet,
dat die lui van het leger geweldig hun best deden voor afgezwaaide jongens. Met studiegelden en morele hulp en wat niet al. Ze vroegen of ik weer studeren wou. Nee. Wat dan wel. Niks. Hoe niks? Nou, niks, helemaal niks. Mijn leven niet langer verbeuzelen met onzin. Welke onzin? En ik maar opspuiten’.
‘Wat zei je?’
‘O, van alles. Ik spuwde mijn gal uit over hun mooie wereld, waarop ze zo trots waren. Niet aardig van mij natuurlijk, en een beetje dom, want over die dingen praat je niet. Maar mijn fout is, dat ik het zo nu en dan toch doe, wat nog erger is dan erover te schrijven. Enfin, ik was er weer één, hè’.
‘Hoe één?’
‘Eén van die door de oorlog geschokte jongelui, het soort jongens, dat nogal in de watten werd gelegd. Ze bleven me met hun steun achtervolgen, maar dat wilde ik helemaal niet en ik zwierf heel wat rond in die tijd, dat kan ik je wel zeggen. Toen ze er achter kwamen, dat ik gewoon aan mijn brood kwam, met werken hier en werken daar, toen lieten ze me met rust’.
‘En nu zwerf je nog steeds’.
‘Ja’, zei hij. ‘Maar aan alles komt een eind. Vanochtend dacht ik ineens, dat ik maar eens moest proberen ergens rustig te wonen. Ergens buiten misschien. Zo nu en dan eens naar de stad, om even uit te razen, de kwade dampen en zo’.
‘Nog steeds geen geloof in de vrouw, hè?’
‘Niet in de sóórt, wel in een mogelijke uitzondering. Welke vrouw zou dat willen, getrouwd wezen met een luie man, die absoluut niets is?’
‘Het zou me niets kunnen schelen als William zo zou zijn’.
‘Ook als William helemaal niemand was, iemand volstrekt zònder naam?’
‘Waarom niet?’, vroeg ze. ‘Mijn vader was toch ook iemand zonder naam. Hij was wel een vooruitstrevende man, maar het kon hem geen zier schelen of iemand hem kende en dat hij zomaar boer was, een man, wiens foto
nooit in de krant zou komen. Hij leefde rustig, hij wilde niemand anders zijn dan die hij was en nergens anders dan wáár hij was. Hij was tevreden met wat hij was en met wat hij had, en als hij zich iets nieuws aanschafte, het een of andere moderne ding voor de landbouw, was hij er helemaal niet trots op. Het was een simpele daad, het moest nu eenmaal, het was het beste en daarmee af. Er moest vooral niet te veel over gepraat worden in de stijl van “Kijk es wat wij nu weer hebben”, want, zie je, misschien was het juist wel helemaal niet het beste; hij was helemaal niet overtuigd van zijn onfeilbaarheid. Hij was maar een mens, hij wist het verder ook niet, hogerop zouden ze het wel goed uitzoeken’.
‘Je zult wel veel van hem gehouden hebben’, zei Alec.
‘O ja’, zei ze, ‘dat deed iedereen. En mijn moeder was stàpel op hem. Wat híj deed was goed. We hadden een heerlijk leven thuis. Ik herinner me niet, dat er ooit een ècht vervelend woord gevallen is. Maar wat me het sterkst van thuis is bijgebleven, is, dat we nooit haast hadden, het was er zo rustig’.
Ze waren opnieuw op een hoog punt van het pad gekomen. Naar de kant van het meer konden ze over de dennen uitkijken en ze zagen, dat ze vrijwel recht tegenover het enorme, betonnen laboratorium stonden. Kil en hoog stond het daar aan de overzijde van het brede water. Het lag nog een heel eind van de oever, maar toch was alles goed zichtbaar, omdat tussen de oever en het grillige, geheimzinnige gebouw de bomen waren weggekapt. Van Het Complex liep een zeer brede betonbaan naar de grote, veelarmige steiger. Daarover gingen stipjes af en aan, mensen en auto's. Bij het enorme, ronde netwerk van staal op De Heuvel, en verderop, verloren in het bos, zwaaiden hijskranen. Tegen een wolkenkrabberachtige toren van Het Complex zagen ze duidelijk een werklift rijzen.
Alec vroeg: ‘Heb jij nu ook het gevoel, dat we hier iets verbodens staan te doen?’
‘Ja’, zei Joan. ‘Zo straks, toen Helen erbij was, niet. Maar nu wel. Kom mee’.
En terwijl ze verder liepen, de helling af, zei Alec: ‘Al een heel aardig fabriekje, hè?’
‘Ze zullen er vast geen schommelstoelen maken’.
‘En geen hangmatten ook’, zei Alec.
Joan moest lachen. Maar plotseling sloeg ze om. Ze zei: ‘O, het zijn zulke vlijtige, ijdele idioten. Ze moeten maar bezig zijn, vlug jongens, we hebben weer iets nieuws. Vlug jongens, straks zijn de anderen ons voor. Klaar zijn voor datum X., dat is héél, héél belangrijk. Ze leven of er geen dood bestaat, of ze over honderd of tweehonderd jaar wel de tijd zullen vinden om even uit te rusten, om een paar dagen in bed te blijven liggen bij hun vrouw en eens wat te praten, zomaar doodgewoon te praten. Maar thuis glimlachen ze en zijn ze afwezig, blikken ze hoog en vaag naar het plafond, denken ze, dènken ze, of zitten ze te wachten op het doorkomen van het een of andere belangrijke telefoonbericht...’ Ze zuchtte. ‘Alec’, zei ze toen met een ongewone, droge stem, ‘ik ben toch ook maar een doodgewone vrouw, en...’, ze draaide zich om, maakte vlug een gebaar over haar gezicht.
Hij schrok en zei: ‘In “Moeder en kind’, hoofdstuk 13, afdeling ‘Bijverschijnselen van de Zwangerschap”...’
‘Ach idioot’, zei ze. Ze lachte alweer.
‘En bovendien’, zei Alec, ‘spreek je, zoals je daar loopt, jezelf zo uiterst duidelijk tegen...’
‘Je bent een fijne jongen’, zei ze.
Hij nam haar bij de arm, zodat het dalen haar gemakkelijker afging, en een hele tijd zeiden ze weer niets. Alec dacht: daar aan de overkant zetelen ze, de priesters van de techniek, van de steeds kleinere afstanden, van de steeds grotere snelheden. Wat een wereld!
Op datzelfde moment ratelden over de hele wereld een millioen telefoons - wat nou weer, wat nou weer -, raasden treinen, gierden vliegtuigen, moesten mensen vlug van de ene plaats naar de andere. Tijd winnen, tijd winnen. En waar bleef de tijd? Nergens bleef de tijd, en er was niets gewonnen, alles verloren. De tijd was materie geworden, ijskasten, gasovens. Nieuwe blokken op de
stapeltoren van het ik. Kom lui, we moeten méér zijn dan de buren, wanneer komt je opslag, pa? Méér zijn dan de buren, we hébben dit, en pa ís dat. Maar waar bleef de liefde en waar het rhythme van de schommelstoel?
Er klonk een vol, dreunend brommen in de lucht. Het was een groot, ouderwets watervliegtuig, dat langzaam, voorzichtig tastend, neerstreek op het meer.
‘Een oud beestje’, zei Alec.
‘Ja’, zei Joan. ‘Ik noem het in gedachten altijd “Jules Verne”. Dat is oud genoeg en past toch bij de sfeer hier’.