terug  begin  verderprepost

XIX

Herfst 1951

Alec zat voor het raam van zijn goed ingerichte, warme kamer in ‘Sunrise’ en keek over zijn schrijfmachine naar de hatelijke, scherpe vormen van Het Complex, dat zo triomfantelijk uitstak boven wat er nog van het bos stond. Hij zuchtte en begon weer te tikken, begon weer te proberen met die kleine, zachte hamertikjes een aanval te doen op de wereld van het enorme gebouw daar aan de overkant. Diep in hem was het allemaal heel klaar waarom die wereld niet deugde. Hij zuchtte, de wezenlijke woorden, die zich in rustige, weloverwogen zinnen zouden moeten laten neerzetten, wilden niet komen.

‘O jij idioot’, had Joan gezegd, ‘is het je naar je malle hoofd gestegen? Dacht je soms, dat je naam Alexander James Plato was? Ben je nu helemaal gek geworden? Waarom geef je haar eenvoudig niet Huxley te lezen? Meneer denkt dr Helen Pousekovsky te kunnen bekeren met zijn persoonlijke filosofie, die hij overigens eerst nog helemaal moet opschrijven. Alexander, je gaat naar de afgrond!’

Hij protesteerde: ‘Niks persoonlijke filosofie, en niks bekeren! Maar ik... O verdorie!’

[p. 104]

‘Wat heeft ze jóu der ingeluisd’, zei Joan, ‘ze heeft je te pakken, jongen! Nou zul je het zelf op papier voor haar gaan bewijzen, wat voor een verschrikkelijke stuntelaar je bent. Want ik zweer je, dat ze hoopt dat het zo zal gaan. En zo zàl het ook gaan. Hou toch vóór je wat je gelooft. Het is onmogelijk om over zo'n onderwerp ernstig te schrijven als je jezelf niet belachelijk wilt maken. En dat wil ze nu juist: dat je je belachelijk maakt en je het zelf waar maakt, dat er achter jouw gemakkelijke manier van leven geen bétere wereld schuilt, maar helemáál geen wereld’.

‘O Joan’, zei hij, ‘je ziet het veel te ingewikkeld. Zo ìs het helemaal niet’.

Ze zei geringschattend: ‘Pfft. Wat ben jíj een simpel mens’.

Hij was verward, hij wist het niet meer.

Joan zei: ‘Je bent alleen maar hier teruggekomen om haar’.

Hij zei niets.

‘En je ging maar àl te graag op haar voorstel in. Hoe kon je je zó vernederen: keeper worden in háár bar. Eigenlijk heeft ze je al klein. Ze kàn nu al op je neerkijken’.

‘Nee’, zei Alec. ‘Ik blijf dezelfde die ik was. Er verandert niets aan de situatie. Het doet er niet toe of je een losse klant een glas vol schenkt of een werkgeefster. En bovendien’, zei hij, zijn vorige redenering verzwakkend, ‘zal ik het maar een paar uur per dag doen’.

‘En een paar uur per dag schrijven’, zei Joan. ‘In opdracht van Hare Majesteit dr Helen Pousekovsky bewijzen, dat jouw manier van leven de beste is. Maar de beste manier is altijd de meest stilzwijgende’.

‘Het gaat niet om míjn manier van leven’, zei Alec.

‘Maar een anders manier van leven kún je immers niet veranderen. Dat kan niemand’.

 

Het was allemaal hopeloos gecompliceerd.

De ruzie tussen Helen en Alec op de terugweg naar Oaklake was zo kwaadaardig geworden, dat ze plotseling

[p. 105]

had gezegd: ‘En nu is het genoeg’. Ze remde af en de Cadillac kwam gierend tot stilstand. ‘O.K.’, zei Alec. Hij opende de deur, sprong naar buiten en begon nijdig in de richting van Augusta te lopen. Bijna bevend van woede keek ze, hoe hij daar liep, mannelijk, eigenzinnig. Hij was een onverdraaglijk man en eigenlijk toch een lowbrow, die, om welke reden dan ook, het werk van de wetenschap op de meest onbeschofte manier kleineerde. Ja, om welke reden? Uit jaloezie? Omdat hij niet meedeed? Nee, dat was het niet, hij had er een werkelijke minachting voor. Maar hoe dom! Alsof de vooruitgang op de wereld... Maar welke vooruitgang? Hij had gezegd: ‘Er is alleen maar vooruitgang mogelijk door dichter te komen tot... eh... nou, tot God’. Hij had schamper iets gezegd over lui die maar rondliepen met geiger-tellers en injectienaalden en die vergaten, dat er ook nog een Prediker en een Plato bestonden. Woorden, woorden: jullie materie, jullie atomen, hormonen, dat heeft allemaal niets met zíjn te maken. Zijn is hièr, nooit een verder, nooit een wroeten. Maar in feite, wist ze, was dat niet de kern van de ruzie. Het ging er eigenlijk om, dat zij niet wilde zijn als hij, en hij niet wilde zijn als zij. Ze geloofden wederkerig niet van elkaar, dat ze wilden zijn zoals ze waren. Hij gelóóft niet dat ik zo ben, dacht ze. Hij gelooft, dat het maar een alsof is. En hij weet, dat ik het van hèm ook geloof.

Ze reed hem langzaam achterop, hield stil. ‘Laten we niet flauw doen’.

‘Best’. Hij stapte in.

Ze reden weer, niet snel, het pijltje stond op 45 mijl. Ze zwegen. Het begon te regenen, ze zette de ruitenwissers aan en sloot het raampje. Ze kregen beiden een veilig gevoel in de beslotenheid van de wagen.

Ze zei: ‘Het heeft allemaal geen zin, al die woorden’.

‘Nee’, zei hij. En toen: ‘Niet zó tenminste. Het is zó moeilijk om de júiste woorden te vinden. Je zou het allemaal rustig moeten opschrijven’. En even later: ‘Ik zou dat kunnen, ik weet woord voor woord hoe het is’.

Het begon nog harder te regenen.

[p. 106]

Ze vroeg: ‘Zeg Alec, is dat nu waar, ben je ècht gelukkig?’ Hij zei: ‘Nee, nu niet, maar van de zomer...’ Hij onderbrak zichzelf: ‘Maar gelukkig is het goede woord niet. Het gaat om iets héél anders..., om... Ach, dat kan je zo niet zeggen. 't Is héél iets anders, en dat kan er ook best zijn als je ongelukkig bent’.

Ze dacht: wat zou dat zijn, dat andere, iets wat hij kent en ik niet? Ze voelde zich geprikkeld, vaag onzeker en misschien zelfs wel een beetje dom. Ze dacht aan haar werk, aan gelukkiger mensen. Kleine machines, had hij gezegd. ‘Je moet werkelijk een hekel aan me hebben’, stelde ze hardop vast.

‘Nee’, zei hij, ‘integendeel, ik mag je erg graag’.

Ze dacht: het kan natuurlijk nooit iets worden. Ik begríjp hem zelfs niet eens. En hij... Maar eensklaps had ze heel duidelijk het gevoel, dat hij haar juist wel begreep. Maar hoe, maar hoe?

‘Wanneer ga je weg uit Oaklake?’

‘Al gauw, denk ik. Charley vindt het niet erg. Hij vindt het zelf ook verschrikkelijk’.

‘Wat ga je doen’.

‘Ik weet het nog niet’. Hij dacht er over na en kreeg weer dat vermoeide gevoel. Ja, misschien zou hij nu eindelijk wel eens ergens rustig willen wonen.

Ze dacht: het gaat niet om geluk of ongeluk. Maar waarom dan wel?

Ze zei: ‘Weet je wel, dat er stoffen bestaan, die de mens een metafysische extase kunnen bezorgen?’

‘Jawel’, zei hij. ‘Niets voor mij, voor mij geen extase. Een beetje heimwee is voldoende’.

Heimwée? Heimwee waarnaar?, dacht ze. Ze zag hem lopen langs de weg, zoals hij daarstraks had gelopen, maar harmonischer, misschien een beetje droevig. Hij had gezegd: ik loop altijd in mijn dromen.

Ze zei: ‘We moeten natuurlijk straks ook een barkeeper hebben. Iemand voor een uur of twee, drie per dag’.

‘Ja’.

En toen - het kwam plotseling in haar op -: ‘Is dat niets

[p. 107]

voor jou?’ En haastig daarop: ‘Voorlopig? Een paar maanden? Dan ben je tenminste uit die sfeer van Charley weg en dan kun je altijd nog zien wat je wilt’.

Hij zei niets. Hij was moe. Hij dacht: wat zou ik nu eens beginnen in mijn leven. Misschien zou ik er wel eens werk van kunnen maken regelmatig vertalingen te krijgen.

‘Charley zou dat best willen’, zei ze, ‘of je nu bij hem staat of bij ons...’

Hij dacht: ze wil me vasthouden. Het gaf hem eensklaps dat gevoel van heimwee. ‘'t Is te weinig’, zei hij, ‘drie uur. Daar kun je niet van bestaan’.

Ze zei: ‘O, maar...’, en zweeg. Ze zou hèm stellig niet meer kunnen geven dan een ander. Hij zou dat nooit aannemen. ‘Nee, dat is waar’.

Het regende nog steeds, fel, nijdig.

Ze dacht: wat heeft hij toch allemaal gedaan in zijn leven? Ze had het jaloerse gevoel, dat hij iets voor haar verborg, en dat ze alles van hem wilde weten.

‘Ik weet iets heel geks’, zei ze eensklaps. ‘Je zou er iets kunnen bijverdienen. Je bent een gekke man, een soort uitzondering. Ik zou wel eens willen weten hoe het komt, dat je je zo zelden druk maakt. Weet je dat zèlf eigenlijk wel?’

‘Jawel’, zei hij, ‘er zijn maar heel weinig dingen belangrijk. En heel veel dingen onbelangrijk. Maar...’

‘Nee’, zei ze, ‘praat er maar niet over. Schrijf het op. Schrijf het op voor me!’

‘Wat?’

‘Alles! Alles wat je op je lever hebt. Hoe het mogelijk is dat je zo kunt zijn zonder een injectie van het één of ander’.

Hij lachte triestig en zei: ‘Neem liever een bloedproef’.

Ze zei naïef: ‘Nee, zover zijn we nog niet’.

Plotseling werd hij weer kwaad. ‘Maar dáár gaat het nu juist tegen’, zei hij, ‘tegen die instelling!’ O, dacht hij, het allemaal te kunnen opschrijven, mijn gal uit te kunnen spuwen. Hij vroeg: ‘Zou je dat wel willen: om precies op papier te hebben hoe ik denk over jullie en over jou speciaal?’

[p. 108]

‘Jawel’, zei ze.

Hij zei boosaardig: ‘Nou, dan zul je het hebben. Ik zal eens precies opschrijven hoe ik denk over lui die schaarse plekken als Oaklake komen verwoesten. Op een dag zal ik zeggen: hier, hier heb je de rotzooi. En vaarwel met de hele zaak, groetjes. Voor eeuwig adieu! Bedoel je het zo?’ ‘Zo en niet anders’.

‘Mijn God’, zei hij. ‘Wat leef ìk in een krankzinnige wereld. Maar ik lééf er nu eenmaal in. En weet je wat het gekste van alles is? Dat ik het nog dóe ook!’

‘Minder gek dan je denkt’, zei ze.

Ze drukte langzaam het gaspedaal dieper in. Het wijzertje klom naar de vijftig, naar de zestig, naar de zeventig mijl. Helen voelde zich merkwaardig opgelucht, bijna nieuw. Het stuur lag vast in haar handen. De wagen zoemde door het kleine, knepperende geluid van de regen op de weg. Heerlijk was het om zoveel macht te hebben. Niet over de wagen of over het andere verkeer op de weg. En zelfs niet eens over haar zelf deze keer. Het was macht over heel iets anders.

 

‘Jules Verne’ daalde op het meer, voorzichtig proevend aan het water, dat geschrokken wegspatte. Kleine mannetjes op de grote steiger ver, ver weg kwamen met zwaaiende armpjes aanhollen. Het dagelijkse gezicht. En Alec boog zich weer over zijn schrijfmachine en tikte. Zijn taak woog hem zwaar, het was allemaal zo ridicuul. Maar hij mocht het niet opgeven. Die nederlaag kon hij zich niet veroorloven. Hij tikte, hamerklopje voor hamerklopje. En hij voelde zich de belachelijkste mens van de wereld. Hij had het nooit mogen doen, nooit, nooit! En weer keek hij naar buiten, keek hij over het water naar Het Complex. En hij wist, dat hij veranderd was, dat de sfeer van dat vreselijke gebouw aan de overkant hem al op een geheimzinnige manier had ingekapseld en dat hij zijn eigen, kleine waardigheid al aardig had verloren. Hij was niet langer dezelfde laconieke Alexander James Weatherwood.

prepostterug  begin  verder