Winter 1951
Er waren vele genodigden, zodat Alec bijna niet opviel in de menigte. Bovendien ging al heel spoedig het licht uit. Ze zaten op William's verdieping - de derde - in een kleine, intieme zaal, die verrassend veel leek op een klein bioscooptheater, een show-room van een filmmaatschappij bijvoorbeeld; er waren niet meer dan zestig fauteuils. Twee dingen waren opvallend: de grootte van het doek, en - een meter of vijf daarvoor, vlak tegen de eerste rij fauteuils aan - een grote schakeltafel met microfoons, ingebouwde meet-instrumenten, honderd wijzers en knoppen en handles en zelfs een paar peilglazen, die wel iets leken op reageerbuizen, waarin groene, gele en rose voch-
ten zachtjes borrelden. Achter de schakeltafel zaten dr William Pousekovsky, hoog en recht in het donker, en een grote, brede, zeer mannelijke vrouw met uitpuilende ogen achter een dikke bril; deze vrouw droeg een witte jas, een zwarte, gehaakte zelfbinder en zwarte, platte schoenen. William was gekleed in een zeer goed zittend, grijs colbertcostuum.
Op het doek kwamen lichtflitsen, concentrische flitsen in velerlei kleuren. Alec zat op de derde rij, tussen Joan en de dikke, intelligente neger Beaver in. Naast Joan zat Bert, naast Bert Helen. Op de tweede rij zaten onder meer professor Pousekovsky, monsieur Jacquard en meneer Mencken. De professor had kwaadaardig gekeken, toen hij bij de contrôle aan de grote ingang ook Alec had gezien. Hij had kortaf het wachtwoord ‘Kerstmis’ gemompeld. Maar nu was het licht dan tenminste uit; Alec voelde zich betrekkelijk veilig.
‘Dames en Heren’, zei William, ‘het is duidelijk, dat ik u technische uiteenzettingen zal besparen. Bovendien wordt u geacht alles te vergeten zodra de demonstratie is afgelopen. Weliswaar is de theorie van de tot dusver bereikte resultaten ook buiten Oaklake bekend, maar met de practijk kan men waar ook ter wereld onmogelijk zover zijn als wij nu. Een enkele opmerking over een klein detail kan reeds het verraden van een groot geheim betekenen. De heren en dames medewerkers van andere afdelingen begrijpen dat zonder meer. Mijn opmerking geldt dan ook voornamelijk een enkele gast, die bij wijze van uitzondering hier aanwezig is. Maar overigens dadelijk ter geruststelling: wat u gaat zien is feitelijk niet zeer nieuw. Het is de basis, waarop wij hier in Oaklake verder zullen werken. We zullen beginnen’.
Alec dacht: sommige mensen drukken hun waardering voor iemand op een vreemde manier uit. Hij moet het wel héél bijzonder vinden, dat ik de laatste tijd zoveel met Joan ben opgetrokken. En misschien heeft nog een ander er op aangedrongen, dat ik uitgenodigd zou worden, Bert waarschijnlijk, of misschien Helen wel. Joan niet, dat ligt
niet in haar lijn. Ze weet zelfs niet, dat ik het toch wel interessant vind.
Het licht op het doek was grijs geworden en een beetje glinsterend. Plotseling zag Alec, dat het water was.
William zei: ‘We hebben de spiegel nu gericht op het meer’. Het beeld verschoof, duidelijk was ineens het Oaklake-Hotel te zien. Weliswaar schoten er scherpe, onregelmatige sterretjes over het doek, als bij een slecht televisietoestel, maar het beeld was zeer werkelijk, ook al, omdat de kleur haast natuurlijk was.
‘Op deze wijze gebruikt werkt onze Coloradar-apparatuur ongeveer als de lens van een technicolor-camera’, zei William. ‘Alleen: een dergelijke camera is uiteraard veel minder lichtgevoelig’.
Er kwam een motorboot in het beeld, eerst ver weg en klein, maar bijzonder snel werd hij groter en groter. Er stonden twee geuniformeerde mannen in; ze zagen er kouwelijk uit en hadden allebei hun kragen opgeslagen. De man die niet achter het stuurwiel stond had zijn handen ongedisciplineerd in zijn broekzakken gestoken. Het beeld werd steeds groter, tot alleen nog maar hun gezichten op het doek waren. De mannen maakten ontevreden een paar opmerkingen tegen elkaar; het was als een oude kleurenfilm, waarvan het geluid is uitgevallen.
William zei: ‘Als de boot niet zo schommelde, zou het zelfs mogelijk zijn om bijvoorbeeld de neus van één der mannen twintig maal vergroot op het doek te krijgen. Maar nu gaat dat niet’.
Er werd geschuifeld en gekucht, zwaar geademd zo nu en dan.
‘En nu zullen we eens kijken wat men in New-Oaklake aan het doen is’. Op het scherm kwam een zee van warrelingen, even de flits van een wolk, daarna een massa gekarteld wit - dat was het bos - en toen een net, regelmatig en overzichtelijk conglomeraat van betonnen gebouwen: het was de nieuwe, kleine stad, waar de leden van het lagere personeel woonden. Het leek een kunstige maquette. Opnieuw werd het beeld groter.
‘We zullen de bioscoop eens nemen’.
Het beeld kreeg een zoekende gang, was plotseling vol kleurige cirkels, die pijn deden aan de ogen, en daarna kwam een deel van de bioscoop in beeld, zeer helder en zeer dichtbij.
Monsieur Jacquard zei: ‘Het is verbluffend’.
De professor naast hem trok nukkig met de schouders, mompelde iets.
Op de gevel stond in een schamele illuminatie van electrische lampjes aangegeven, dat de film ‘Rope’ werd vertoond. De volgende voorstelling was om kwart over negen, aldus kon men met enige moeite lezen op een bord boven de kassa. Even later echter was het bord veel beter zichtbaar, het beeld concentreerde zich op de kassa, die langzaam naderbijkwam. De hall van het theater was leeg en de juffrouw in de kassa - een jong, pukkelig ding met een klein, streng brilletje op - was rustig bezig met het controleren van een aantal lijsten. Haar volle lippen bewogen tellend. Eensklaps waren alleen maar die lippen in het beeld, ze vulden nagenoeg het hele doek.
Alec voelde het koud langs zijn rug lopen. ‘Potverdorie...’, zei hij fluisterend.
Joan kreunde, als verbluft en verveeld tegelijk, maar Alec lette er niet op, bleef volkomen overrompeld het beeld volgen.
‘Het oude dorp’, zei William.
En daar was het al, door het Coloradar-oog besprongen over het oude eikenbos heen. Maar vrij snel werd het beeld warrelig. ‘Het gaat sneeuwen’, zei Wiliam, ‘maar dat is niets’. Hij sloeg een paar handles om, zei iets tegen zijn assistente. Er kwamen honderden rode cirkels op het doek. ‘Ja’, zei William. En eensklaps werd het beeld helder. William zei: ‘We zijn dwars door de sneeuw heengegaan. En nu gaan we dwars door het bos heen’. Opnieuw de rode cirkels, vlak daarop nogmaals Oaklake, niet alleen de daken, maar zo, alsof er geen bos bestond. De spiegel nam één der buitenste huizen van het dorp. Het was dat van Wilson, de postbode. Er kwam een man het doek op-
gelopen; het was Sebastian, de broer van Wilson. Hij klopte op de deur en ging dadelijk naar binnen. ‘Schakel in op drie’, zei William. De rode cirkels. Een vaal licht. De rode cirkels. Een zeer schemerig interieur, een keuken of iets dergelijks. ‘Naar links’, zei William. Weer de rode cirkels, daarop een helkleurige chaos, toen ineens zacht, geel licht, een tafel, een vrouw in een bed, Wilson, en Sebastian, die een pakje gaf aan de vrouw. Het was geen mooi beeld, nogal onwezenlijk, de gezichten waren vertrokken en de perspectief van alles was zeer onwaarschijnlijk, maar vrij duidelijk kon men toch zien wat zich in de kamer afspeelde.
Een opgewonden gemompel klonk door de show-room.
‘Jezus’, zei Alec fluisterend tegen Joan, ‘dit is Orwell. Néé, dit is nog véél gruwelijker’.
Joan kreunde weer, met de nagels op haar tanden.
William zei: ‘We kunnen dit momenteel nog maar doen in een straal van zeven mijl. Maar daarbuiten hebben we weer heel andere mogelijkheden. We zullen eens kijken of er in de naaste omtrek een vliegtuig in de lucht zit’, en tegen de brede, mannelijke vrouw: ‘De automatische detector’.
Er kwamen dwarrelingen, sneeuwvlokken waarschijnlijk, rode cirkels, wolken, rode cirkels, een zeer klare sterrenhemel met een maan, die plotseling weg was. Sterren flitsten als meteoren over het doek. Maar na een paar seconden werd het beeld rustig en zag men een tweemotorig vliegtuig door de lucht zeilen. Na een poosje werd het hele doek gevuld door de cockpit. ‘We zullen de piloot eens nemen’. Rode cirkels. Men keek binnen in het toestel en zag een stuk van de wang van de bestuurder, zijn lippen waren gespitst, hij floot kennelijk een liedje.
‘En nu tot slot een paar opnamen van de maan’.
Een gele plek: de maan. De plek dijde uit, werd te groot voor het doek, veranderde van kleur, werd groener, daarna blauw, daarna grijs. Men zag een kraterrand, daarop een deel van die rand. Tenslotte hield het beeld stil, gericht op een vreemde, lavasteen-achtige partij. William
zei: ‘Zo zou je het ook zien vanuit een helicopter op dertig meter hoogte’.
Er werd weer onrustig geschuifeld en gekucht. Joan kreunde diep in haar keel, alsof ze pijn had. En eensklaps drong het tot Alec door.
‘Joan, is er iets bijzonders?’, vroeg hij snel. ‘Moet ik William waarschuwen?’
Ze knikte. Alec stond op, schuifelde langs Beaver en de anderen naast hem, liep naar William, fluisterde het hem in het oor.
Het beeld knapte uit elkaar in duizend kringen, het doek werd wit, toen donker. Het licht in de zaal ging aan. William zei: ‘Door omstandigheden moeten we het hierbij laten’, en tegen zijn assistente: ‘Bel een ambulancewagen’.