terug  begin  verderprepost

XXV

Het kleine établissement ‘Desperado’ in Pasadena ging elke avond pas om elf uur open en sloot 's ochtends om precies vier. Het was een club, men kon er niet in zonder lidmaatschapskaart of althans niet zonder iemand, die zo'n kaart in zijn zak had. Het was overigens niet zo moeilijk om zo'n kaart te krijgen, want ‘Desperado’ was zeker geen exclusieve club voor mensen met veel geld; de meeste leden waren betrekkelijk laag gesalarieerde filmschrijvers, die ééns verzen hadden geschreven en in sommige gevallen ook romans, en die verbeten hun best deden om ondanks hun drukke studio-werk door te gaan met het schrijven van verzen en romans. In de bar van ‘Desperado’ zaten ze elkaar van nacht op nacht te vertellen van hun plannen. Er kwamen ook acteurs, mannen, die in een verleden vol

[p. 141]

roomtaarten naar Hollywood waren gewenkt, en die nu oud waren en vergeten en een baantje hadden als hoofd van de etiquetteer-afdeling in een fabriek voor vruchtenconserven of een betrekking als schoenverkoper, of die, als ze geluk hadden gehad, shows organiseerden voor mode-zaken: ‘En dit, dames, is Eileen, Ze draagt een robe van steenbruine tafzijde. De wijde, stijlvolle mouw is afgezet met...’

Emigranten kwamen er ook. Sommigen waren film-cutter, anderen hadden zo nu en dan een kleine bijrol, weer anderen werden onderhouden door vrienden. Er zaten ook mensen aan de bar soms, die iets te maken hadden met fotografie, of die bezig waren aan een vaag rapport voor de één of andere universiteit. Een enkele keer kwamen er een paar journalisten, vermoeide, verloren mannen. Bijna geen der leden van ‘Desperado’ was geslaagd in het leven. Bij ‘Desperado’ hadden ze de kans om elkaar te vertellen wáárom eigenlijk niet. De besten onder hen, de emigranten en de oude, uitgerangeerde acteurs, vertelden het elkaar beslist niet zonder humor; zíj waren het dan ook, die na de terugslag in het filmbedrijf in 1946 de club hadden opgericht en de naam hadden bedacht. De zaak was een beetje verwaarloosd en erg rommelig, met overal foto's van jan en alleman: ‘Ja, dat ben ik, ja, met Hedy. We waren vroeger dikke vrienden in Praag’.

 

Met behulp van een voorspraak-reeks, die was begonnen bij Charles Bickleston, arriveerde in dit bedrijf op een rustige Februari-avond een nieuwe bar-keeper, die zich Alec liet noemen. Al na een week voelde hij zich er voortreffelijk thuis en na een maand was hij in het bezit van een tweede-hands motorfiets, waarop hij 's ochtends tegen vijf uur rustig door de straten van Pasadena reed en door de heuvels koers zette naar een vervallen buitenplaats, bewoond door een oud, Pools echtpaar, dat zich blijkbaar had verzoend met de naderende dood en dat teerde op de laatste resten van een uit een verlopen confectie-fabriek overgehouden kapitaal. Ze woonden daar samen met een

[p. 142]

kleindochter, een oorlogswees, die haar best deed beeldhouwster te worden. Verder was er nog een verzakte dienstbode, ook al een Poolse. En dat was de hele familie. Van dit viertal zag Alec, die in de oude chauffeurswoning van het buiten woonde, eigenlijk alleen maar zo nu en dan Myriam, de jonge beeldhouwster. De anderen lieten zich zelden zien, leefden maar zowat, voornamelijk op het zuidelijke terras aan de andere kant van het huis.

Bij stukjes en beetjes begon Alec de chauffeurswoning op te knappen en te installeren. Toen er in Maart een klein buitje viel, lekte het dak niet meer. Hij kocht hier en daar wat stoelen en tafels, een divan, hij timmerde een boekenrek en midden Maart kwamen zijn boeken over uit Oaklake. Hij schreef Charley, dat hij het best naar zijn zin had, en dat hij besloten had voorlopig te blijven waar hij zat. Charley moest maar niemand vertellen waar hij woonde, hij had er zo'n gevoel van, dat dat voor iedereen beter was. En Charley schreef terug, dat alles dik o.k. was, dat hij Tom's Cabin had verkocht aan dr Helen en dat hij steeds hogere bedragen kreeg aangeboden voor het hotel, dat hij het overigens erg druk had, meest van ééndagsklanten, die het één of ander te doen hadden binnen De Omheining.

 

's Middags om twaalf uur stond Alec op, scharrelde wat door het huis, bedacht een kalm ontbijt, at buiten in de zon, lezend en zich uitrekkend en reed 's middags naar de zee, waar hij zwom en weer las en - als dat zo uitkwam - stoeide met een blonde figurante, die dikwijls tijd te over had, en verveeld haar dag verdeed op het strand.

Heel dikwijls ook bleef Alec thuis en ging hij naar de verwilderde tuin, waar hij een hangmat ophing; dan lag hij een hele middag te luisteren naar de gelukkige vogels van Californië. Hij was weer waar hij was, hij was thuis bij zichzelf. Niet helemaal natuurlijk, het beeld was nog niet compleet, want een goed huis begint met twee. Maar Alec had geen haast.

Een paar keer in de week ging hij eens kijken in het atelier

[p. 143]

van Myriam, een donker, sterk en nogal slordig meisje, dat behalve beeldhouwen geen andere belangstelling scheen te hebben. Ze was critisch, zag van weinig dingen het nut, en was tevreden met de vervallen villa en de verwaarloosde tuin, waar ze, zoals ze zei ‘door de goedkope kermis van het leven’ niet gestoord werd. Ze kende een groot aantal recepten van Russische en Poolse gerechten en ééns kwam ze bij Alec borscht maken, die ze later voor de helft aan zijn tafel weer op at.

 

Om tien uur 's avonds klom Alec weer op zijn oude motorfiets en reed hij fluitend en zonder tegenzin naar zijn werk. Hij hield van de enigszins rommelige en pretentie-loze kring van leden. De ouderen hadden al lang verleerd te klagen en de jongeren hadden de voorbeelden naast zich, dat roem even bestendig is als een paar schoenen. ‘Eerst ben je niets, en eensklaps ben je alles en later ben je weer niets’, zei eens de magere man uit Praag, die nog wel eens een bijrol had in reclame-hoorspelen. ‘En wat is het allemaal geweest? Wat was precies roem? Was het iets meer dan je portret in de krant? Verder was het - op zijn best - toch allemaal als nu: vriend zijn met een paar aardige, doodgewone mensen zoals jullie. Ach, pas later begrijp je, dat het dáár op aan komt. Roem...’, zei hij, ‘roem... dat is een soort vergif...’

Maar toch had ieder zijn eigen menselijke onvrede, en ieder kwam daar voor uit, soezerig filosoferend erover. Heftige debatten kwamen zelden voor. En als het al eens rumoerig werd, dan was het van het lachen.

Alec was moe 's ochtend als hij terugreed. Maar hij was niet ontevreden over zijn werk. Het is natuurlijk niet iets om je hele leven te doen, dacht hij wel eens, maar waarom eigenlijk ook weer niet? Hij had geen haast, hij wàs er immers. En wie weet werd het nog prettiger: één van de filmschrijvers had hem een proefvertaling bezorgd. ‘O, er is geen haast bij, kijk maar eens’. Alec werkte er 's middags aan, heel rustig. En de vogels van Californië zongen boven zijn hoofd hun helder lied.

[p. 144]

Eens droomde hij, dat hij in zeer koud water zwom naar een verre kust. Er waren verschillende eilanden in de buurt en hij had de kant op gewild van een klein, bergachtig eiland met palmen, maar de stralen van de Coloradar-spiegel hadden hem in hun greep en dreven hem naar een ander eiland, waarop Het Complex stond. Uit de zee rees ten overvloede een grote richtingaanwijzer op met de woorden: ‘De Weg naar Geluk, drink in Colo dr Helen's Courtisane-water’. Hij spoelde aan. Op het strand stond Helen, maar het was het pukkelige meisje van de bioscoop-kassa en ze pikte met een scherp potlood op de cijfers van een optelstaat. Het tikken van haar potlood weerklonk hoog in zijn oren. Hij werd wakker, keek op zijn horloge. Het was kwart over twaalf en de zon sprong met omarmend licht door de kamer. In de verte hoorde hij de steenbeitel van Myriam, hoge, scherpe geluiden. Hij stapte uit bed, bevrijd, en liep naar buiten. De wereld was zoals hij was, groen en blauw, met een echte wind, met echte geuren, met wezenlijke geluiden. Hij was zeer gelukkig dat hij daar stond, een eilandbewoner, zonder angst en haast.

prepostterug  begin  verder