terug  begin  verderprepost

XXVI

Voorjaar 1952

De volgende avond was het plotseling allemaal voorbij. Kort nadat om elf uur Nicholas, de portier, de deur van ‘Desperado’ had geopend, drongen zich een tiental opgewonden mannen naar binnen, die wild op Alec afstormden, allen met een Saturday Evening Post in de hand. ‘Die ouwe rakker!’ en ‘De filosoof achter de bar’ en ‘Jonge, jonge, wat sta jìj in de publiciteit!’, riepen ze en: ‘Dat staat hier òns maar whiskey in te schenken!’ en: ‘Nu houdt hij zich nog onschuldig ook!’

Maar Alec wist werkelijk niet waar ze het over hadden en ze sloegen hun tijdschriften open en daar zag hij ineens zichzelf staan, in een wit jasje achter de bar van het Oaklake-Hotel. Nog meer foto's van hem waren er, en

[p. 145]

ook foto's van Helen. ‘De Wereld Gaat Aan Vlijt Ten Onder’, las hij en daaronder: ‘De merkwaardige historie van de onbekende burger Alexander J. Weatherwood, naverteld door George P. Gifford, met een opzienbarende inleiding van dr Helen Pousekovsky’. En daaropvolgend:

‘Nummer I van drie afleveringen’.

Alec kreeg vreemde, vlekkerige wangen, en het was hem of hij zonk, of hij zonk met de bar van ‘Desperado’, met heel Pasadena.

‘Wàt een verhaal’, zei de man, die hem de proefvertaling had bezorgd, ‘over een half uur heb je onze studio aan de lijn. Je moet Stuart als agent nemen, die heb ik ook’.

Alec zei sullig: ‘Werkelijk lui, het is allemaal buiten me om gegaan...’

‘Maar je hèbt toch dat verhaal geschreven in Oaklake?’, zei Joe Saunders, ‘die citaten hier zíjn toch van jou?’

Hij las en de bruine, bittere smaak van whiskey kwam hem in de mond.

Ja, ze wàren van hem. Maar daaraan had hij al niet meer getwijfeld toen hij de koppen boven het verhaal had gelezen. ‘Met een inleiding van...’

Hij vloekte kort maar uitermate hevig. Hij zei: ‘Ze heeft me te pakken...’

Allen keken ze hem verwonderd aan.

Hij zei: ‘Excuseer me één ogenblik’ en ging naar het keukentje, sloot de deur. Nerveus trok hij zijn witte jasje uit. Eensklaps scheen hij helder te worden, schoot hij in zijn dagelijks colbertcostuum en nog haastiger daarop in de Montgomery-jas, die hij altijd droeg op zijn motorfiets. Hij verdween langs de achterdeur, holde naar de garage waar zijn motor stond en jakkerde weg. Voorbij, voorbij... Bij Myriam brandde nog licht en ze kwam in het open raam, toen hij de poort doorreed. Ze riep, dat er voor hem was opgebeld uit ‘Desperado’. Terwijl ze dat zei, werd er alweer gebeld. Hij riep ‘Ik ben er niet, zeg, dat ik niet hier ben’. Hij zag haar praten, de hoorn neerleggen. Ze zei: ‘Ik denk niet, dat ze het geloven’, en toen: ‘Wat is er aan de hand?’

[p. 146]

Hij vertelde het haar zo kort mogelijk. Ze begreep het maar half, en wanhopig begon hij het haar te verduidelijken. Opnieuw ging de telefoon. ‘Nee, nog niet. Hij komt heus nooit voor vijf uur thuis. En laat u me nu alstublieft slapen’.

‘Goeie genade, zei ze tegen Alec, waar het op neer komt is, dat je je rust kwijt bent. Je bent ineens goud waard, dit is een verhaal. En dan nog: je zult daar wel véél hebben gezien, in Oaklake... De jacht op jou is geopend’.

‘Wat moet ik doen?’, vroeg hij.

Nogmaals ging de telefoon. Ze nam nu niet meer op. Dictatoriaal bleef het apparaat doorzoemen, met korte, dreigende stoten, een hongerig, metalen beest, dat zijn recht op kwam eisen.

‘Je moet hier weg’, zei ze. ‘Neem een klein hotel in Los Angeles. Bel me op morgen, ik zal iets bedenken. Heb je genoeg geld?’

Het hongerige beest hield voorlopig op, maar de stilte was nu minstens even dreigend.

Hij keek hoeveel hij had en ze zei, dat het niet voldoende was. Ze ging het atelier uit en kwam even later terug met twee biljetten van honderd dollar. ‘Misschien heb ik morgen meer’.

Hij schudde zijn hoofd, hij was tevreden met de twee biljetten. Zonder iets te zeggen draaide hij zich om en rende naar de oude chauffeurswoning. Hij pakte haastig een koffer vol met ondergoed, hemden, dassen, een colbertcostuum, toilet-artikelen. Vijf minuten later reed hij weg. Om ruim één uur was hij in Los Angeles. Hij stalde zijn motor en zocht een hotel. Het was half twee toen hij in bed lag, ingeschreven onder de naam Richard F. Halsey. Hij liet een fles whiskey op zijn kamer komen en sliep tegen vieren in.

Zes uur later werd hij wakker, in dezelfde naargeestige stemming, waarin hij des ochtends in ‘Sunrise’ was ontwaakt in het begin. Hij nam de telefoon en belde Myriam op. Ze vroeg: ‘Heb je de radio vanochtend gehoord?’ ‘Nee’.

[p. 147]

‘Dr Helen Pousekovsky houdt op met haar werk in Oaklake. Ze gaat een nieuwe beweging stichten. Ze zegt, dat de tegenwoordige mens een totaal verkeerd leven leidt’. ‘Een originele gedachte’.

De stem aan de andere kant lachte. ‘Zal ik je de koppen uit de ochtendbladen voorlezen?’

‘Ja’.

‘Nummer één: “Publicatie van Dr Helen Pousekovsky wekt Grote Bevreemding”. Nummer twee: “Onenigheid in Milliardenproject Oaklake?” Nummer drie: “Dr Helen Pousekovsky Verloofd met Barkeeper?” Nog meer?’

‘Wordt mìjn naam vaak genoemd?’

‘Zeer terloops. Het is alles dr Helen wat de klok slaat’.

‘Gelukkig dan maar’.

‘'t Zal wel anders worden. Vanochtend om zeven uur waren hier al een stuk of tien journalisten aan je deur. Ze zijn vast en zeker naar je op zoek’.

‘Heb je iets bedacht?’

‘Ja. Ik zal je naar een nicht van me brengen die getrouwd is met een boer in Imperial Vallee’.

Hij zei: ‘Dat is een heel eind weg’.

‘Zoveel te beter’.

‘Ja, misschien wel’. Hij gaf haar zijn adres en zei naar wie ze vragen moest. Hij ging onder de douche, schoor zich, kleedde zich keurig aan en borg de fles en hèt glas weg. Hij ging zitten wachten en deed de radio aan. Een vrouw met een scherpe stem speelde disc-jockey. Haar zoete muziek bezorgde hem het lichte soort hoofdpijn, die hij vroeger als kind had gekregen van fondantjes. Hij draaide de radio uit, liet even later toch het knopje weer knakken. Iemand was begonnen met een zeer mannelijk, imponerend geluid nieuws te lezen. ‘...aldus de Hollywood Reporter. Pasadena. Gisteravond verdween plotseling uit de Desperado-Club barkeeper Alec Weatherwood, wiens levensverhaal in vervolgen verschijnt in The Saturday Evening Post; volgens Joseph B. Saunders, filmschrijver onder andere van Wilde Paarden in het Westen, heeft Weatherwood's verdwijning niets te maken met geruchten

[p. 148]

over een mogelijke verloving van hem met dr Helen Pousekovsky, zijn vorige werkgeefster. Oaklake. Gisteren sloot plotseling dr Helen Pousekovsky haar afdeling in het nieuwe laboratorium-complex. Ze is vertrokken naar Washington. Long Beach. Het hedenochtend op het strand gevonden lijk bleek dat te zijn van...’ Knak, Alec draaide het toestel uit.

Vijf minuten later kwam Myriam binnen. Ze keek verontrust en zei: ‘Ik geloof dat ik gevolgd ben’.

‘Ik denk het niet’, zei hij. ‘Er zit geen echt nieuws in mij. De Saturday Evening Post is immers iedereen al voor geweest’.

‘Ze hebben het in hun hoofd dat hier iets geweldigs achter zit’, zei ze. ‘Ze zullen nog een Raspoetin-barkeeper van je maken in hun kranten: dr Helen Pousekovsky in ban van barkeeper’.

Hij zei: ‘Laten we naar beneden gaan’.

In de hall zaten drie mannen in grijs tropical. Ze stonden kalm op toen ze Alec zagen en kwamen vertrouwenwekkend op hem toe. De oudste zei: ‘Geen pers’, en de jongste ‘We hebben maar één vraag. Wilt u uw verhaal verkopen aan onze studio?’

‘Nee’.

Toen zei de derde man: ‘Hebt u het al verkocht?’

‘Nee’.

‘Bent u dan soms al in bespreking met anderen?’

En Alec loog, om eraf te zijn: ‘Ja’.

‘Heeft men u al een optie-bedrag geboden?’

‘Nee’.

‘Wat dacht u van vijfduizend dollar? Voor de optie’. Het was een keurige man met donker haar, een stevige puntkin en een gouden bril op een grote neus. Alec keek van hem naar Myriam, die een stroef gezicht trok.

‘Nee’, zei Alec.

‘De optie verplicht u tot niets. We geven u nù het geld - een niet terugvorderbaar bedrag - en we geven u een week bedenktijd over de termen van het eigenlijke contract’. Hij overhandigde Alec zijn kaartje. Er stond op

[p. 149]

van welke maatschappij hij was en dat hij Clarence W. Conboy heette.

Alec beschouwde daarmee de zaak als afgedaan, groette en liep weg. Meneer Conboy legde rustig de hand op Alec's schouder en zei: ‘Goed, we verdubbelen het optiebedrag’.

Myriam zei ineens: ‘Nou, dàn kun je het wel doen, Alec’. Hij draaide zich verbaasd naar haar om. Hij vroeg aan Conboy: ‘Met het aannemen van een optie-bedrag verplicht ik me alleen om niet naar een andere filmmaatschappij te lopen, is het zo niet?’

‘Zo is het, zei Conboy. Als u dat wel doet, krijgen wij het bedrag terug’.

‘Accoord’, zei Alec. ‘Hebt u de contanten bij u? Dan kunnen we hier tekenen’.

‘Nee’, zei Conboy, ‘daarvoor moeten we naar het kantoor’.

‘Goed’, zei Alec. ‘En géén publiciteit. Ik ben erg op mijn rust gesteld. Ik trek me een poosje terug’.

‘Waarheen?’

‘Dat laat ik u nog wel weten’.

Dadelijk nadat ze het geld binnen hadden, reden ze in de ouderwetse Baby-Ford van Myriam in de richting van Imperial Vallee. Myriam zei: ‘Je had misschien nog wel méér kunnen krijgen. Maar je bent er niet de geschikte man voor. Ze hadden toch al bijna door, dat je die film nooit zult laten maken’.

Toen Alec in Imperial Vallee aankwam, wist hij al dadelijk, dat hij er niet lang zou blijven: de zure, schrale trek om de mond van de blonde boer beviel hem niet; zijn jonge vrouw - ze was slank en donker en had vlugge ogen - deed gereserveerd tegen Alec, maar dat was om haar man een plezier te doen, zoals hij de tweede of derde dag al begreep. Het huwelijk was kinderloos en de ogen van de man stonden constant op achterdocht.

Alec begon zijn baard te laten groeien en toen hij er de eerste weken bijliep als een voddenkoopman, deed de man nog tamelijk dragelijk tegen hem, en hoorde hij hem uit over de reden van zijn verblijf, een zaak waarover zijn

[p. 150]

vrouw Mary hem al uitvoerig en met veel begrip had ingelicht, maar die hij steeds maar ‘ongewoon, ongewoon’ bleef vinden. De menselijke staat van Alexander J. Weatherwood paste niet in zijn denkschema. Maar die staat correspondeerde daarentegen direct met het verhongerde verlangen naar romantiek van Mary. Als Alec al die zes weken dat hij er bleef geen seconde naar de radio zou hebben geluisterd en geen lettertje zou hebben gelezen, dan zou hij nog uitstekend op de hoogte zijn gebleven, want een paar keer per dag kwam Mary hem commentaar op het nieuws leveren, en dat commentaar sloot ze onveranderlijk af met: ‘En zo, Alec Weatherwood, sta je der voor in de wereld’.

Mary had de grootste weken van haar opgesloten en onvruchtbaar leven en Alec lag maar strootjes te kauwen op de hooizolder en te wachten op bericht van zijn Unescovriend in San Francisco, die hij in een brief had gevraagd of er iets voor hem te doen viel in zijn situatie. Misschien kon hij ergens op een afgelegen plaats aan de slag gaan onder een andere naam; wat zijn baard betrof: die groeide al aardig. Herbert werd magerder en zuurder; hij kwam soms plotseling de hooizolder op om verward maar opgelucht te ontdekken, dat Alec daar in zijn eentje verveeld lag te lezen.

Op een dag kwam Mary hem opgewonden roepen, ze had iets bijzonders ontdekt in de kranten. Hij kwam naar beneden en ze wees hem een kleine advertentie, die luidde: ‘Derde oproep in drie maanden. Dr H.P. vraagt A.J.W. dringend zich met h. in verbinding te stellen’.

‘Nou?’, vroeg Mary.

‘Ze zal het wel zijn’, zei Alec. ‘Jammer voor haar, ik lees nooit kleine advertenties’. Hij dacht na en zei: ‘En jammer voor mijzelf ook. Anders had ik het misschien allemaal kunnen voorkomen’.

Want dàt werkte nog het schadelijkst van al in hem: dat Helen zijn schrijverij had laten omwerken en publiceren zonder dat hij er zelf in was gekend. Goed: ze had dus geprobeerd hem te bereiken. Het was niet gelukt, ge-

[p. 151]

lukkig; en ongelukkig. Maar hoe dan ook, nooit had ze dit mogen doen zonder zijn toestemming. Hij wilde haar beslist nooit terugzien, nooit! Hij wilde, dat zij hem de rust van zijn chauffeurswoning had gelaten. Voorbij was dat, voorbij. Hij moest wéér opnieuw beginnen.

De volgende morgen kwam er een brief voor Mary, helemaal uit San Francisco. Toen ze hem openmaakte, zat er een gesloten envelop in, waarop de naam van Alec stond. De brief aan Alec was geschreven door de Unescovriend, die door middel van een schoolkampen-organisatie iets voor Alec had gevonden: hij kon voor de duur van de zomer leider worden van een kamp in Arizona, ergens in de buurt van Phoenix, tussen een paar Indianen-reservaten in. Hij moest zo spoedig mogelijk naar dat kamp toegaan, en zich daar als Theodore Harley Mellon voorstellen aan een man, die Bill Sheehan heette en die hem verwachtte. Bill zou hem van alles op de hoogte stellen.

prepostterug  begin  verder