terug  begin  verderprepost

XXVII

Voorjaar 1952

Het was eind Mei, toen Ted H. Mellon arriveerde in ‘Wigwam City’, een zeer groot, maar nog volkomen leeg kamp. Hij werd er voortreffelijk ontvangen door Bill Sheehan, een oude, vrolijke man met korte o-benen, die een slordige, gele magazijnjas droeg en op zijn grijze krullen een bolhoed had staan.

Bill - wiens officiële functie bewaker van ‘Wigwam City’ was - leidde hem rond en al gauw drong het tot Ted Mellon door dat hij als leider van dit kamp niet al te veel werk hoefde te verzetten: Bill regelde de zaakjes hier al jaren uitstekend.

‘Kijk meneer Mellon, het regelt zich allemaal vanzelf, maakt u zich maar geen zorgen. Morgen komen de schilders om de boel in de carboleum te zetten, en voor Woensdag heb ik de lui van de schoonmaakdienst besteld, en zo loopt het allemaal vanzelf’.

[p. 152]

‘Maar je moet toch wéten wat er allemaal gebeuren moet’. ‘Welnee, dat staat allemaal op papier. Elk jaar is het hetzelfde en een paar jaar geleden heb ik het eens opgeschreven en nou ga ik maar gewoon het lijstje langs. En dan maar opbellen. 't Is enkel een kwestie van geregelde contrôle. Zèlf hoef je niks te doen’.

‘Nou, dat is prettig’, zei meneer Mellon, ‘maar in 't seizoen zal dat wel even anders zijn, niet?’

‘Ach, dat valt ook best mee. Er komt een meisje op 't kantoor en die zorgt voor het kaartsysteem en dat soort dingen, en de koks zorgen voor de keuken. Dat rolt allemaal best’.

‘Maar wat moeten wìj dan doen?’

‘Contrôle’, zei Bill Sheehan weer, ‘alleen maar contrôle. 's Avonds moet u de kas even natellen en nagaan of de lui van de keuken de zaak niet bedonderen met de inkoop en al dat soort dingen. Met een paar uur per dag is het bekeken. Want dat van de keuken en zo heb ik ook allemaal op papier, dat is makkelijk, dat spaart tijd’.

‘Ik geloof Bill’, zei Ted Mellon, ‘dat wij samen uitstekend geschikt zijn voor dit kamp’.

Bill stopte een pijpje tussen zijn kleine tandjes en terwijl hij de brand in de tabak zoog, zei hij: ‘Meneer Mellon, de hele kunst hier is het dragen van een khaki-pak. En net doen of je 't gelooft, weet u wel? En voor de rest is het u wel toevertrouwd, lijkt me zo’. Hij knipoogde of hij Theodore Harley Mellon uit en te na kende.

Alec ging zijn kamer in orde brengen. Het was een zindelijk, zonnig vertrek met een bed, een groot bureau waarop een schrijfmachine stond, een paar tafeltjes en zes luie stoelen en er was zelfs een boekenkast. De grote ramen gaven uitzicht op een klein weitje, dat lag midden tussen dicht, vrij hoog kreupelhout. Ted Mellon zou het hier best een zomer kunnen uithouden.

Die eerste week vermaakte hij zich uitstekend. Bill had een oude Harley Davidson, een driewieler, en daarmee knetterde hij zo nu en dan naar Phoenix om daar het een of ander te halen; meestal waren het materialen voor zijn

[p. 153]

figuurzagerij. Voor meneer Mellon nam hij een grote stapel pocketbooks mee, tabak voor de pijp en een compleet khaki-pak met alles wat er bij hoorde.

‘Hang het maar rustig in de kast’, zei Bill Sheehan, ‘eind Juni, als de eerste troep komt, is het nog vroeg genoeg’.

‘Zeg Bill, der heeft een man opgebeld, een O'Brian of zoiets. Hij zei, dat hij van het “Gila Camp” was en vroeg wat wij dit jaar deden: eierpoeier of niet’.

‘O, die vervelende O'Brian, die weet als het er op aan komt nooit wat hij moet doen. Er zullen de komende weken nog wel meer kampleiders opbellen om ons om raad te vragen, dat heb je altijd in streken waar ze veel kampen bij elkaar hebben. Dan houden ze zogenaamd contact en dan maken die lui zich overal druk over’.

‘Nou’, zei Ted Mellon, ‘daar doen we niet aan mee. Als ze mìj bellen, zeg ik dat het eigenlijk jouw afdeling is, maar dat je er op het moment niet bent, en zo kun jíj dat omgekeerd ook doen’.

Bill lichtte joyeus zijn bolhoed en zei: ‘Meneer Mellon, u en ik hebben elkaar wonderwel gevonden’ en hij ging naar zijn werkplaatsje, waar hij meestal fluitend de dag doorbracht met het vervaardigen van de afschuwelijkste schemerlampjes van triplex. De modellen waren van hemzelf, maar op papier maakten ze een heel andere indruk dan in werkelijkheid. Als Bill er weer een af had, bekeek hij het geval op een afstand, krabde zich onder zijn hoed en zei dan zoiets als: ‘Nou, dat is óók een mal ding geworden, zeg...’ Maar hij bleef het vertikken om goede modellen uit boekjes te halen, zijn goedmoedig ideaal was een èigen schepping. En onverdroten ging hij voort, fluitend en wel. Hij was er van 's ochtends vroeg tot 's avonds laat mee bezig. Hij zei: ‘Ik heb er altijd van die plezierige gedachten bij, meneer Mellon’.

Het telefoonsysteem dat Ted Mellon bedacht had, werkte uitstekend, en de beide mannen sleten hun dagen in zuivere rust. Van tijd tot tijd gingen ze eens kijken of de schilders opschoten of kwamen ze bij elkaar om te overleggen wat ze die dag zouden eten en wie er zou koken

[p. 154]

en dan gingen ze ieder weer hun gang. Ted Mellon las en sliep en wandelde en zwom en het leven was weer zoals het moest zijn. Hij was opnieuw aangespoeld op een goed eiland.

Aan het einde van de tweede week werden ze opgebeld door O'Brian van het ‘Gila Camp’, die hun op een borrel uitnodigde voor de komende Zaterdagavond.

‘Ja, daar zitten we aan vast, meneer Mellon’, zei Bill, ‘dat is traditie, hij doet het elk jaar. Al de vaste lui van de kampen maken kennis bij hèm, dat vindt hij fijn’.

‘Nou’, zei meneer Mellon, ‘als het dan mòet...’ En hij keek in de spiegel en vond, dat zijn baard nu wel voldoende vermommingskracht had.

Die Zaterdag staken ze zich in khaki, lieten het kamp over aan een oude carboleumschilder, en reden in de hobbelende driewieler naar het andere kamp. Ze kwamen daar laat aan, want op de kamer van O'Brian was de coctailparty al in volle gang. Al de in khaki gestoken heren en dames stonden ernstig met elkaar te praten en voorzichtig te drinken.

Meneer O'Brian was een dikke, domme man met een wipneus en een autoritaire lach.

‘Zo zo, meneer Mellon, zo, zo’, zei hij, ‘dan zal ik u maar eens voorstellen, nietwaar?’, en hij begon met Alec door de dichtbevolkte kamer te schuiven. Na de negende kennismaking zei O'Brian: ‘Kijk en daar in het hoekje, ik zal hem eventjes op de rug tikken, staat óók een kampleider die we hier nog nooit hebben gezien. Meneer Dall, mag ik even... dit is collega Theodore Harley Mellon van “Wigwam City”.’

Het was Eric T. Dall, die zich met breed gewicht omdraaide, met een blik, die op ferm was gezet, maar dat niet vol hield, en Eric T.'s mond kwam nog schever dan anders in zijn baard te hangen. Hij zei: ‘Wel heb ik ooit!’, en langzaam begon hij zijn lippen in een brede grijns te treken.

‘Ach, kènde u meneer Mellon al?’, vroeg O'Brian domcorrect, zonder één gram werkelijke interesse.

[p. 155]

‘Ik kom zo bij u terug, meneer Dall’, zei Theodore Harley Mellon. Hij vervolgde met O'Brian de tocht door de kamer, sneller nu, want Ted had haast om meneer Dall iets belangrijks te vragen. ‘Tot straks’, zei O'Brian aan het einde van de tocht. ‘Nu eerst maar eens even op eigen houtje acclimatiseren, nietwaar?’

Alec knikte en begaf zich dwars door de kamer naar Eric T. Dall, die een schools lesje in Vrolijk, Verblijd Glimlachen Tegen Een Oude Vriend weggaf. Hij boog ondeugend zijn oor naar Alec en zei: ‘Hóe was het ook al weer?’, en Alec fluisterde nadrukkelijk: ‘Theodore Harley Mellon’, en wat luider: ‘Zeg maar gewoon Ted hoor, net als vroeger!’

‘Die ouwe Ted’, zei Eric T. en daarbij gaf hij Alec een beschaafd schouderklapje. ‘Hoe kom jíj hier zo?’

‘Och’, zei Ted Mellon, ‘sommige lui van de Unesco weten wat een opgejaagd mens toekomt, hè?’

‘O ja?’, vroeg meneer Dall ineens bitter, ‘nou, dan heb ìk andere ervaringen. Maar in het najaar zullen ze me potverdrie weer moeten boeken!’ Hij keek met afschuw naar zijn khaki-broek en de blote knieën daaronder.

‘Dus dit is maar tijdelijk...’, zei de ander.

‘Reken maar. En daarom ben ik juist zo blij jóu hier te zien. Wat zou je der van denken: samen weer op stap te gaan?’

‘Nou’, zei Alec voorzichtig, ‘misschien zou Theodore Harley Mellon best weer aangenomen willen worden, als de discretie daarbij tenminste bewaard zou kunnen blijven. Ze zitten hem nogal achter de vodden’.

Meneer Dall vroeg ernstig achter zijn hand: ‘Politie?’

Alec schudde het hoofd en zei glimlachend: ‘Nee, 't zijn allemaal vrijwilligers. De pers en lui van de film en dan ook nog een zekere dr Helen’.

‘Jaja’, zei meneer Dall, of dàt allemaal vanzelf sprak, ‘ik volg de kranten geregeld’, en weer achter de hand: ‘Een nare situatie, nietwaar?’

Alec trok de schouders op en zei: ‘'t Zal wel weer slijten’. ‘Weet je wat’, zei Eric T. ineens zeer opgewekt. ‘Wíj gaan

[p. 156]

met elkaar praten eh... Ted. Met jou zie ik het winterseizoen gunstig in, zéér gunstig. Wat zou je der van denken als we Woensdag a.s. eens bij elkaar kwamen?’

Alec knikte. ‘Dat is een goed idee’, zei hij.

‘Goed’, zei Eric T. Dall. ‘Woensdag ben ik je man. Waar kan ik je vinden?’

En Alec zei het hem en verplaatste zich opgelucht naar de omgeving van een fiks-doende kampleidster, die, nu ze een paar coctails had gedronken, lacherig was geworden en er zelfs aardig begon uit te zien.

 

Terug in ‘Wigwam City’ zei Bill Sheehan: ‘Altijd plezierig, hè, als je oude kennissen ontmoet die zo intelligent zijn’.

‘Een aardige man?’

‘Nee’, zei Bill, ‘ik bedoelde de man, die ù ontmoette. Die zo blij was dat hij u zag. Een intelligente man’.

‘Ja’, zei Ted Mellon, ‘een intelligente man. Maar een ouwe schurk, reken maar’.

Bill Sheehan zei met lichte nadruk: ‘Dan zou ik maar voorzichtig zijn...’

Ze keken elkaar aan, heel kort en glimlachten zonder betekenis.

‘Slaap lekker’, zei Ted.

‘Hetzelfde’, zei Bill.

Ik zit er lelijk tussen, dacht Alec op zijn kamer, heel lelijk. Want hij had er in het geheel geen behoefte aan om na de zomer bij die brave Bill vandaan te gaan. Hij had zelfs al overlegd hoe hij zich een winterbaantje in ‘Wigwam City’ zou kunnen creëren. Het leven met de vrolijke figuurzager beviel hem uitstekend. En in bed probeerde hij middelen te bedenken om zonder kleerscheuren van Eric T. Dall af te komen.

Dat had hij helemaal niet hoeven te doen, want op hetzelfde ogenblik zat Eric T. gebukt over zijn koffer en zocht hij in de map Waardevolle Papieren naar het visitekaartje, dat hij eens van een brutale journalist had gekregen. Hij wist zeker, dat hij het had bewaard, want in

[p. 157]

zijn ogen was elke relatie met de pers, zelfs de geringste, van eminent belang. En inderdaad vònd hij het kaartje van Chester F. Hobson. Juist: ‘48 Syndicate’.

Eric T. liep naar zijn bureau en stelde daar de tekst op voor een telegram. Daarna belde hij de tekst door. Hij schoof het kladje samen met het visitekaartje bij de Waardevolle Papieren en schonk zich zelfvoldaan een whiskey in. Drie vliegen in één klap, dacht hij. De hak, die hij Alec J. Weatherwood vroeger in zichzelf beloofd had te geven, was eindelijk onderweg. Ten tweede bewees hij Een Belangrijk Journalist een zéér grote dienst, je kon nooit weten waar dat goed voor was. En ten derde zou hij met de aanstaande publicatie over Alec J.'s onderduikplaats de Unesco een héél aardige duw nageven. ‘Leer om leer’, zei hij en hij dacht niet aan Shakespeare, maar aan het feit, dat men indertijd zijn lezing over Zuid-Afrika had afgekeurd.

prepostterug  begin  verder