terug  begin  verderprepost

XXVIII

Voorjaar 1952

De Maandag daarop ging Alec naar het kantoor om eens wat te neuzen in de archiefkasten: hij moest toch per slot enig verstand van de kampzaken zien te krijgen? En dus trok hij energiek aan de laden en snuffelde in kaartsystemen en dossiers en boekhoudboeken en het begon hem al aardig helder te worden hoe het allemaal in elkaar zat, toen hij plotseling achter zich een stem hoorde zeggen: ‘Dag Alec J. Weatherwood’. Hij bleef staan, met zijn handen aan een la en wist onmiddellijk, dat het mis was. Dat het weer mis was! Hij draaide zich om, bekeek de man in de deur kalm en zei: ‘Hallo Chester. Helemaal alleen?’

‘Nog wel’, zei de blonde man, die nog altijd dezelfde kauwgewoonte had. Hij keek op zijn horloge. ‘Maar binnen een half uur komen de kranten van de pers, en daarin staat jouw verblijfplaats te lezen. Dus je hebt de keuze: òf de

[p. 158]

hele troep op je dak, pers, film en wie niet al meer, òf een rustig en exclusief gesprek met Chester F. Hobson’.

Chester Hobson schoof zijn hoed achterover en liep op Alec toe.

Alec zei: ‘Je mag der wel inkomen, maar dan moet je hoed af’.

‘Nog praatjes ook, hè?’, zei de ander, maar hij wierp toch achteloos zijn hoed op een bureau. ‘Nou, wat kies je?’ ‘Niks’, zei Alec, die zich weer over een la vol met kaarten boog, ‘ik blijf gewoon hier, dan ben ik in één keer van alles af’.

‘Wat dacht je van vijfhonderd dollar?’, vroeg Chester F.

‘Nee, geef ze maar aan meneer Dall’.

‘Doe niet zo rot. Zal ik even bellen of ik er duizend van mag maken?’

‘Niet nodig. Ik blijf hier’.

‘Waar ben je al die tijd geweest?’

‘Wacht tot vanmiddag, dan geef ik een persconferentie’. ‘Alec’, zei Hobson, ‘je bent een goeie barkeeper, je hebt me prima whiskeys geserveerd. Ik mag je wel. Maar je intelligentie-quotiënt is lager dan dat van een rund’.

‘Dat ontdek je laat’.

‘Klopt. Maar niet tè laat. Want ik weet nu, dat je je niet verborgen houdt voor de pers of voor Conboy en zijn troep, maar voor dr Helen Pousekovsky. Waar of niet?’

‘Wacht tot de pers-conferentie’.

‘O.K. Luister ondertussen verder naar me. Ná die conferentie moet je wéér de benen nemen, als je tenminste dan de speurhonden van juffrouw Helen wilt ontkomen’.

‘Welke speurhonden?’

‘Word ìk geïnterviewd?’ Hij lachte, bijna grimmig. ‘Maar goed: de speurhonden die ze overal op het pad heeft om je te vangen’.

‘Ze kunnen me niets maken’.

‘Nee. Ze kunnen je alleen je leven verpesten. Want je houdt niet van publiciteit’.

‘Nee’.

‘Luister: als die honden je te pakken hebben, is Helen zó

[p. 159]

in de buurt, en met haar ook een troep journalisten. Wat gebeurt er? Knip knip knip, mooie plaatjes. Onderschrift: “De Verliefde Helen en Haar Barse Barkeeper”. Je zult nergens nog een rustige stap kunnen zetten. Overal vingers: kijk, daar heb je de man die niks met die Pousekovskyvrouw te maken wil hebben’.

Het klonk nogal aannemelijk wat Hobson zei, zo zou het wel zo ongeveer gaan.

‘Maar’, vroeg Alec. ‘Wáárom wil ze me zo graag te pakken krijgen? Wáárom heeft ze die verhalen over me laten publiceren?’

Hobson keek op zijn horloge. Hij zei: ‘Omdat ze steun bij je zoekt voor haar werk’.

‘Wat voor werk?’

‘Ik zal je vertellen wat ik ervan weet. Onderweg’.

‘Hoe onderweg?’

‘Rund Weatherwood’, zei Hobson, ‘dacht je dat je hier kon blijven om rustig een paar uurtjes met me te keuvelen? Nee meneer, als je nú de benen neemt en mij èven je verhaal vertelt op het kantoor in Phoenix, dan kun je je ergens anders weer ongezien vestigen. Ik zal er Persoonlijk voor zorgen, dat je met je vijfhonderd dollar goed terecht komt’.

‘Is dat geen smoesje?’

‘Je zult het zien’.

‘O.K.’; zei Alec zuchtend. ‘Help me maar even mijn koffer inpakken’. Hij ging hem voor naar zijn kamer en binnen twee minuten was het werk gebeurd.

Alec liet Chester de koffer naar de auto dragen en ging naar Bill. Die vroeg achterdochtig: ‘Wat moest die man eigenlijk die naar u vroeg?’

‘Dat is Hobson. Een journalist’.

Bill Sheehan sprong van zijn krukje. ‘O’, zei hij droevig.

En toen, traag: ‘Gaat u weg, meneer Mellon?’

‘Ik moet wel’, zei Alec.

‘Ja’, zei Bill, ‘ja, ja’. Hij streek zich langzaam met een pols over zijn linker dij en overwoog: ‘Dan zal ik het hoofdkantoor straks maar bellen. Misschien kunnen ze nog op tijd een andere kampleider vinden’.

[p. 160]

‘Ja, dat is te hopen’.

‘Jammer’, zei Bill, ‘verdraaid jammer. We hadden het zo aardig voor elkaar, u en ik. Niks geen capsones en zo. Jammer’. Hij gaf Alec een hand en zei: ‘Ik hoop dan maar dat u ergens ànders een beetje rust mag vinden. Want het is inderdaad waar meneer Mellon: de wereld gaat aan vlijt ten onder’.

Alec glimlachte: de ouwe rakker had het al die tijd verdraaid goed geweten... ‘Ja’, zei hij. ‘Maar hou dat vooral voor je. Práát er nooit over. En schrijf er nog veel minder over’, en hij draaide zich om en ging.

Bill keek hem na door het raam en mompelde in zichzelf: ‘Een beste man. En niet eens verknipt, zoals ik eerst dacht’. Toen deed hij drie schreden achteruit en keek naar het pas voltooide schemerlampje van triplex. Hij hield zijn hoofd scheef, fronste zijn voorhoofd, krabde zich langzaam onder zijn hoed en zei: ‘Nou, zó'n mal ding heb ik nog nooit gemaakt! Wat een rotdag!’

 

Ze hadden nog maar kort gereden, toen de Oldsmobile hikkerig begon te schokken, alsof hij op het punt stond over te geven en niet durfde.

‘Altijd hetzelfde met die verdomde huurwagens’, zei Hobson, die nijdig uit de wagen sprong en de motorkap omhoogtrok. Alec stapte ook uit en begon heen en weer te lopen op de stille weg. De ander keek bezweet van de motor op en zei: ‘Nee, dat kunnen we niet riskeren, ga achterin zitten asjeblieft’. En Alec deed het maar. Hobson kwam terug en rommelde onder de voorste zitbank, liep met een paar stukken gereedschap naar de motor, boog zich weer in de Oldsmobile. Hij vloekte plotseling en zoog zich met een pijnlijk gezicht op de vingers. Daarop ging hij haastig met zijn werk verder. Na een poosje zei hij, dat hij het maar eens proberen zou, ging achter het stuur zitten en liet de motor lopen. De oude Oldsmobile was zijn braakneiging kwijt. Een minuut daarna reden ze opnieuw zo snel mogelijk in de richting van Phoenix.

‘Die dr Helen Pousekovsky van jou is stapelgek’, zei

[p. 161]

Hobson. ‘Weet je wat ze in het geheim heeft opgericht? Een Luiheidsbond’.

‘Een wat?’, vroeg Alec verbijsterd, leunend met zijn kin op de voorste leuning.

Een luiheidsbond’, zei Hobson. ‘Voor zover mijn inlichtingen juist zijn hebben ze haar verbannen uit Oaklake. Haar ouwe wil niets meer met haar te maken hebben. Het had niet veel gescheeld of ze was gearresteerd. Naar ik hoorde was ze al aardig op weg met haar werk - wàt het was weet ik niet - en plotseling verklaarde ze, dat het misdadig was, dat het helemaal fout was. En nu zit ze in Washington, van God en de hele ratteplan verstoken. Ze heeft een kantoor opgericht en ze heeft daarvoor alleen maar met de grootste moeite personeel kunnen krijgen, want de mensen zijn bang, dat ze communiste is of zoiets. Ze is ook een laboratorium begonnen, maar dat is helemaal huilen’.

‘Waar betaalt ze het van?’, vroeg Alec verwonderd.

‘Moederlijk erfdeel’, zei Hobson op de toon van iemand, die altijd goed geïnformeerd is.

‘Maar wat wil ze dan allemaal?’

‘Nou, dat heb je zo ongeveer wel kunnen lezen in haar inleiding bij die malle artikelen. Ze wil, dat de mens de massa in zichzelf bevecht. Stel je voor’, zei Hobson, ‘dat ìk dat eens deed. Er zitten tien millioen lezers in me, vecht daar eens tegen!’ Alec zweeg, hij zou nooit meer debatteren. Chester zei: ‘Allemaal flauwekul, dat van die massa en die vrije-tijdsbesteding en een persoonlijk leven. Hier heb je bijvoorbeeld Chester F. Hobson, toch een naam, nietwaar, iemand met enige roem. En wat ben ik eigenlijk? Een slaaf, meneer. En zo gaat dat met iedereen. We zijn allemaal slaven van elkaar. Op het ogenblik ben ik zelfs jouw slaaf: Chester F., de taxi-chauffeur van een barkeeper. Allemaal om in leven te blijven’.

‘Een Luiheidsbond’, zei Alec. Hij schaterde ineens van het lachen.

‘Ja’, zei Hobson, ‘is het niet stapelgek?’

‘Een Luiheidsbond! Maar wat heb ìk ermee te maken?’

[p. 162]

‘Jongen, dat is zo helder als glas. Ze heeft geen méns in de wereld meer en ze klampt zich aan iedereen vast. Nou, en aan jou natuurlijk helemaal. Jij hebt het allemaal in haar losgemaakt, die flauwekul’. Hij keek opzij en vroeg: ‘Geloof je dan nu zelf allemaal wat je zei in die stukken?’ ‘Ben je gek’, zei Alec, ‘ik ben veel te lui om me ergens druk over te maken’.

‘Gelukkig mens’, zei Chester op een achteloze cliché-toon. En toen, alsof het plotseling tot hem doordrong wát hij had gezegd: ‘Verdomd ja, eigenlijk wel’.

 

Op het kantoor in Phoenix weigerde Alec zijn mond open te doen vóór hij die vijfhonderd dollar in zijn zak had; hij begon het klappen van de zweep aardig te leren. Toen hij het geld rustig in zijn binnenzak had gestoken, zei hij ‘O.K.’, en Chester liep naar de deur en zei: ‘Ja’, en daar kwamen drie meisjes binnen met steno-blocs en drie fotografen, die Alec van alle kanten knipten, met en zonder Chester. De heer Hobson zette zijn vocale mitrailleur in werking en spoot een spervuur van scherpe vragen op Alexander James Weatherwood. Of het waar was dat hij gedegradeerd was in het leger, of de Spanjaard, met wie hij was gesignaleerd in San Francisco een communist was, waarom hij niet bij zijn vriend Charley was blijven werken, hoe hij ‘toevallig’ zo dicht in de buurt was geweest van die onopgeloste moord in Boston, wat er die avond in het hotel was gebeurd, waarom hij barkeeper was geworden bij de Pousekovskys, waarom hij geheim had gehouden, dat hij in Pasadena werkte, wat voor een vrouw die Myriam was, waar hij naderhand gebleven was, hoe hij aan het baantje in het kamp was gekomen, wat zijn werkelijke verhouding tot dr Helen Pousekovsky was, of hij nog van plan was een filmcontract te tekenen, hoe hij dacht over een Luiheidsbond? Alec antwoordde kalm, vertelde niet meer dan hij kwijt wilde, en eigenlijk was het maar heel weinig wat hij verborgen hield; Chester F. Hobson kreeg waar voor zijn geld. Het interview duurde ongeveer een half uur.

[p. 163]

‘Weatherwood’, zei Hobson, ‘je bent een man totaal zonder ambitie, ik kan je niet classificeren. Je bent geen idealist, je bent geen godsdienstwaanzinnige, je bent geen gore communist, je bent geen spion, en eigenlijk ben je niet gek ook. Wat moet ik met je aan? Ik moet je toch een stempel geven?’ Hij dacht na en zei: ‘Ik maak een gevaarlijke relativist van je, een uitwas van het intellectualisme’, en tegen Alec: ‘Klinkt dat gek?’

‘Krankzinnig!’, zei Alec. ‘Ik ben helemaal geen intellectueel!’

‘Dondert niet’, zei Hobson. ‘Als ik mijn verhaal maar heb. En dat heb ik. Ik maak het zo: “De Ziekten van het Intellectualisme. Wanhopige Relativist Besluit dat Niets Doen de Beste Houding is”, en dan plaats ik jou tegenover de even grote misdadigheid van de idealistische Helen Pousekovsky, die Wil Werken Voor de Wereld, Maar Verkeerd. Hoe lijkt je dat?’

‘Knap bedacht’, zei Alec, ‘je doet maar, Chester. En wat nu?’

‘Nu ga je dervan tussen’, zei Hobson, ‘als ik jou was, zou ik voorlopig maar naar Mexico trekken, daar zit je rustig. Ik heb je niet meer nodig. Je verhaal is uitgeput. Neem de trein maar naar El Paso, daar heb je een goeie verbinding met Mexico City’.

‘Ik denk, dat ik maar ga liften’, zei Alexander J.

prepostterug  begin  verder