Herfst 1953
‘Bèn je daar, Mencken?’, vroeg de professor.
De man met de grijze manen en het bleke, vlezige gezicht kwam in het beeld en zei: ‘Goeden avond. Hier zijn we klaar’.
‘Laat de hond eens zien’.
‘Doen we niet eerst de houtproef?’
Professor Pousekovsky zei: ‘Nee, laten we dadelijk beginnen met levend materiaal’.
Meneer Jacquard stond naast de man met het kale hoofd en las hardop een aantal cijfers af, die door de academici in de college-banken werden genoteerd. Op het scherm kwam de dierenarts uit Simonshill, het kogelronde, opgewekte mannetje met de dikke snor. Aan de leiband hield hij een vrij zware, stevige hond met een bokserskop, waaruit kwijl liep. De dierenarts zei: ‘Dit is Frank, een mastiff, een heel sterk soort hond, al is het ras er als geheel door de laatste wereldoorlogen niet beter op geworden. Men neemt aan, dat reeds de oude Phoeniciërs...’
‘Ja ja ja, hou maar op’, zei de professor. ‘Ik wil alleen maar weten of hij gezond is’.
‘Als een leeuw’, zei de dierenarts op het scherm.
‘Goed’. Ze wisselden nog een paar getallen uit en daarop vroeg de professor zonder achterom te zien: ‘Hebt u het genoteerd, meneer Otterson?’
De man naast Alec - de verlegen dierenarts met het onnozele paardegebit - zei: ‘Ja zeker, ja zeker, professor’.
‘Goed dan’, zei de Grote Man. ‘Mencken! Laten we beginnen’.
Er klonk nerveus gekuch, zowel in Simonshill als in Oaklake.
De kogelronde dierenarts had nu blijkbaar uitstekend de techniek onder de knie om een hond zonder veel moeite in de grote, telefooncel-achtige brandkast te krijgen. Alleen op de drempel streefde de mastiff even tegen. De zware deur werd gesloten door een voorzichtige man in een witte overall. De professor riep ineens: ‘We hebben het gewicht niet genoteerd!’
Mencken kwam weer in het beeld en zei: ‘Jawel, 160 pond en drie ons’. Oaklake noteerde.
De kaalhoofdige man bij het contrôle-bord beduidde met een rechtopstaande duim, dat daar alles in orde was.
‘Geef de klok maar, Mencken’.
De wijzerplaat kwam groot in het beeld. Langzaam maaide de groene secondenwijzer de tijd weg. ‘Geef maar rood’, zei de Grote Man met heldere stem. Blijkbaar was hij de enige, die weinig last had van nervositeit. Hij
gedroeg zich de gehele avond al zeer beslist. De secondenwijzer was rood geworden. De gezichten van allen in Oaklake deden luguber, haast bloederig aan onder het schijnsel van de vele rode lampen. Alec dacht aan de Franse Revolutie.
De professor vroeg: ‘Alles wèrkelijk in orde, Mencken?’
‘Absoluut’, zei Mencken, heel stellig voor zijn doen.
‘Schakel dan definitief...’ - de man naast Alec klapperde even met zijn paardegebit alsof hij plotseling koorts had gekregen - ...definitief over... na... vijftien seconden... van nu! Men keek op de secondenwijzer, telde, telde. Het was, of de hoge fluittoon geheime verbindingen onderhield met andere werelden. Elf, twaalf, dertien... - de professor kuchte luid in zijn microfoon - ...veertien, vijftien.
De klap was enorm, zelfs de banken trilden deze keer. En ineens was de avond groen. Maar men kreeg geen gevoel van veiligheid.
‘Uitschakelen, uitschakelen’, riep de professor. Het licht kreeg zijn neutrale neon-kleur, het plotselinge ophouden van de fluittoon deed bijna pijn aan de oren.
Mencken kwam op het scherm en zei: ‘Het lijkt hier goed’. Hij liep zelf op de grote kast toe en opende hem uitermate voorzichtig, alsof hij er zijn handen aan kon branden. Mencken zei niets, maar hij maakte plaats en het was duidelijk zichtbaar, dat de geheimzinnige, spiegelende ruimte geen hond meer bevatte.
De kaalhoofdige man in Oaklake was reeds bezig met de deur daar. Hij trok hem langzaam open, als zou hem iets onnoembaars kunnen bespringen, en tegelijkertijd weerklonk er een zielig gejank. Een vreemde, misvormde hond kwam naar buiten hinken, trillend en bang voor de nieuwe omgeving, bang voor het hele leven. Of misschien wel voor de dood. Het paardegebit was opgestaan en naar voren gekomen. ‘Frank, Frank’, riep hij. De hond kroop jankend naderbij, steeds trager en moeizamer. Hij wilde wel, maar hij kon niet. Plotseling zakte hij in elkaar. Hij draaide zich op zijn rug, zijn poten - het waren er werkelijk maar
drie - trilden kort, bleven daarop stijf staan. De dierenarts boog zich over het beest, was al bezig met zijn stethoscoop. Hij keek op en zei zacht en verwijtend: ‘Dood!’
Toen pas begon er een geweldig rumoer in de collegebanken los te barsten. De opgewonden stemmen en halve juichkreten golfden wreed over de dode hond. Men verliet de banken, als kinderen die juist vacantie hebben gekregen. Men drong samen om het kadaver. Professor Pousekovsky, met een chronometer in de hand, zei: ‘Hij heeft precies dertig seconden geleefd’. Hij keek om zich heen, zeer voldaan, en veegde zich zwaar en boers de druppels van zijn rood, bultig gezicht, schraapte zich de keel en mompelde ontroerd: ‘Mijne heren collega's, deze dag is belangrijker in de historie dan de dag, de dag...’
Monsieur Jacquard vulde aan, vrijwel onbewogen: ‘Dan de dag waarop Columbus Amerika ontdekte...’
Iemand zei: ‘Een nieuw tijdperk is begonnen...’
En de hond lag daar maar, met zijn drie poten en zijn misvormde lichaam koud op de betonnen vloer. Alec huiverde en voelde zich op dat moment even koud als de hond moest zijn.
De professor had haast, hij reed die avond per auto terug naar ‘Sunrise’, en zijn wagen werd snel gevolgd door een feestelijke stoet andere auto's waarin zijn medewerkers zaten; ze waren uitgenodigd op een-drankje-na-de-spanning en monsieur Jacquard had Alec namens de professor gevraagd, of hij een paar uurtjes extra-dienst wilde doen. Alec vond het best. Hij vond àlles best, en begreep zelf eigenlijk maar half, waarom hij al die tijd nog in Oaklake bleef. Hij was vrij om te gaan, niemand zou hem vasthouden. En in de ‘buitenwereld’ zouden nog maar weinig mensen hem lastige vragen stellen, het geval van ruim een jaar daarvoor was uitgegloeid, niemand zou er nog erg veel leven in kunnen blazen.
‘Nee’, zei de professor, ‘whiskey, een dùbbele whiskey’.
‘En u zeker pernod?’, vroeg Alec.
Monsieur Jacquard knikte.
In de hoek begonnen er al een paar luidruchtig te lachen. De professor lette er niet eens op, het was nu feest. Hij keek peinzend naar Alec en vroeg: ‘Zeg Alec, hoe heetten toch ook nog maar weer die beklimmers van de Mount Everest?’