terug  begin  verderprepost

XXXII

Vogels trokken in wilde, luidruchtige troepen onder enorme, witte wolken door naar de herfst. Het jaar veranderde van kleur en geluid. Er kwamen nachten vol zware, plotselinge regenbuien en uit de verrottende grond boorden zich de geheimzinnige, giftige schoonheden van zwammen en paddenstoelen. Er groeide een kille heimwee in de atmosfeer, een verlangen naar de reuken van warm, knapperend houtvuur, naar veiligheid, omarmende liefde. Ergens moest het goed zijn op de wereld, zonder onrust; thuis. Maar waar? Je kon gaan door al de acht en veertig staten van het grote land en door al de vele landen van de grote wereld, en je kon praten met mensen en werken hier en daar en aardig zijn voor een zindelijke, sportieve vrouw, maar waar was thuis? In het bloed van Alexander J. Weatherwood begon de bitterzoete kwaal van een zacht-

[p. 186]

aardige lethargie te werken. Het was, of hij niet helemaal meer geloofde in thuis, of het er voor hem weinig toe deed waar hij zich bevond, in Pasadena, Nashville of zelfs Oaklake. De wereld was overal even thuisloos. De zachtaardige ziekte schiep in Alec's hersenen de geurprikkels van staal en beton, de kleuren van bleek matglas, de smaak van anti-septische gorgeldranken, de kille echo's van blinkende, betegelde kelders, de koude onwezenlijkheid van radarbeelden, de sfeer van vlekkeloos chroom. De ziekte zei hem, dat het overal hetzelfde zou zijn, dat de wereld van Oaklake geen uitzondering was, dat heel de planeet bezig was één groot Oaklake te worden, er was geen ontkomen aan. En daarom maakte het weinig verschil of hij wegging of niet. Als hij bleef, zou een alziend oog voortgaan met op hem te rusten als op een naakte. Ongemerkt zouden ‘ze’ - een vage maar angstaanjagende ‘ze’ - voortgaan met hem te volgen, met hem uit te lokken - hoe primitief was het nog gebeurd, die eerste keer... -, met hem te toetsen op zijn betrouwbaarheid. ‘Ze’ waren achterdochtig tegen iedereen, en tegen hem natuurlijk nog meer dan tegen een ander, omdat gebleken was dat hij het oneens was met de geest van Oaklake. Oneens, goed, maar meer ook niet nu. Hij zou zich nooit meer verzetten. Het had immers geen zin, want Oaklake was overal, iedereen zou dat wel merken vroeg of laat. Van hèm zou in elk geval niemand vernemen wat hij hoorde en zag. Het verbaasde hem niet meer, het maakte hem ook niet nijdig meer, hij was alleen benieuwd hoe het allemaal af zou lopen, hoe ver de geest zou kunnen gaan. Hij wist het zelf: Oaklake had hem een beetje te pakken, had hem weer enigszins ingekapseld, maar niet als vroeger, toen die kapseling hem had aangezet tot een stekelig verweer, tot haat.

Hij bleef dus eensdeels om Oaklake zèlf. Maar voor een ander deel bleef hij, omdat hij er moe van was wéér eens mensen te moeten verliezen. Hij bleef, omdat hij niet weg wilde van Charley, zijn oude vriend, met wie hij misschien iets nieuws zou beginnen, al bleven de plannen ook vaag. En hij bleef om Joan, één van de weinige vrouwen met

[p. 187]

wie hij, als de omstandigheden anders waren geweest, getrouwd had willen zijn, en die dat wist. En aan haar noch aan zijn kant bestond daar verdriet over, enkel een warme, bijna geamuseerde vertrouwelijkheid over en weer. En tenslotte bleef hij ook om Bert, die intelligente sukkelaar. Hij bleef, omdat hij Bert evengoed kon vertrouwen als Charley en omdat zijn werk hem werkelijk boeide.

 

Alec wist niet of de verwarrende en onduidelijke poging hem uit te lokken - eigenlijk kon men die kwestie nauwelijks zo noemen - er iets mee te maken had, maar pas nà die zaak begon Bert hem weer uit te nodigen mee te gaan naar zijn lab.

Alec zag dadelijk, dat hij in die zes, zeven maanden geweldige vorderingen had gemaakt. Wanneer dr Milhaud, de gebochelde jonge Fransman met het knappe gezicht, een aantal niet al te moeilijke zinnen in de microfoon sprak, verschenen deze vrij nauwkeurig vertaald op het telex-achtige apparaat. Maar er waren nu al veel meer mogelijkheden.

Alec stond voor de microfoon en improviseerde een eenvoudig gesteld verhaal en een paar ogenblikken later las hij ditzelfde verhaal in typoscript en in het Frans. Het was verbazendwekkend. Bert zei: ‘Als je over een week terugkomt, kunnen we van gesproken Duits dadelijk een leesbare vertaling maken in het Italiaans en omgekeerd’. En een week daarna wàren ze inderdaad zo ver.

In Maart 1953 werden er in New-Oaklake een aantal extra-huizen neergezet en daarin trok een paar weken later een wonderlijke kolonie van Chinezen, Vuurlanders, Indianen, Italianen, Duitsers, Eskimo's, Spanjaarden, Japanneezen, ongeveer een honderd mensen van de meest uiteenlopende nationaliteiten. In April mocht Alec komen kijken waarvoor de afdeling van dr Bert Pousekovsky al die mensen nodig had. Ze gingen door een wachtkamer, waar een vijftigtal verveelde mannen zaten te roken en te zwijgen, en daarna kwamen ze in de studio, waar dr Milhaud in de contrôle-kamer zat. Samen met Beaver

[p. 188]

voegden ze zich bij hem achter de dubbele glazen wand. ‘Welke nationaliteit wil je voor de microfoon zien verschijnen, welke nationaliteit?’, vroeg Bert.

‘Laat eens een Eskimo komen’, zei Alec.

‘In welke taal wil je zijn tekst vertaald zien?’

‘In het Italiaans’.

Even later kwam er een sluikharige, mongools-aandoende man in een slordig confectie-pak binnen. Bert gaf hem aanwijzingen in het Engels, drukte daarna op een paar knoppen, stelde iets bij en liet Beaver de man een teken geven; hij kon beginnen. De man knikte, praatte in de microfoon, en langzaam, regelmatig, schoof er een knisperig stuk papier uit een gleuf. Er stonden Italiaanse zinnen op. Ze herhaalden de proef, met een Fin, wiens microfoonwoorden in het Frans op het papier kwamen; later kwamen er nog andere combinaties.

‘En nu het slot voor vandaag’, zei Bert voldaan. ‘Ga naar de wachtkamer, pik er zo maar een man uit en geef hem dit kaartje’. Er stond alleen maar ‘Liplezen’ op. Alec deed wat hem gevraagd was, en even later kwam er een jonge, gebrilde man binnen. Men stelde hem op voor een soort televisie-camera en de proef begon. De man stond daar maar voor de camera lipbewegingen te maken; er kwam geen geluid uit zijn mond. Maar uit het kastje schoof desondanks een stuk papier en daar stond in het Engels op: ‘ik vind dat wij hier altijd zo lang moeten wachten maar het geld is gemakkelijk verdiend en het eten is ook goed ik praat maar door want dat is mijn werk en morgen gaan wij naar de bioscoop genoeg of moet er nog meer komen?’ ‘Goeie genade’, zei Alec, zeer onder de indruk. Kunnen jullie dat met àlle talen?

‘Ja’, zei Bert vrij achteloos. ‘Ik geloof, dat dit een Hongaar was, nietwaar Beaver, een Hongaar toch, niet?’

Beaver knikte.

‘Met alle talen, ja’, zei Bert, maar dat liplezen kunnen we alleen maar vertalen in het Engels. 't Is ook niet belangrijk, 't is maar een zijspoor. Ons hoofddoel blijft een apparatuur, waardoor je een vreemde taal niet dadelijk

[p. 189]

kunt lezen, maar hòren in je eigen taal, welke die ook is. Bert grinnikte een beetje verlegen. ‘Ik zei: òns einddoel. En toch moeten we daar extra in het geheim aan werken, extra in het geheim, want de opdrachtgevers’ - hij keek Alec snel aan - ‘hebben voorlopig alleen maar belang bij apparaten, die goedkoper zijn dan een menselijke vertaler. En even nauwkeurig. Maar dat kan nooit, nee, nooit’.

 

In Juni 1953 werd Bert's Oaklake-afdeling eensklaps gesloten. Het bleek, dat er een tekort van millioenen was en dat Bert het grootste gedeelte van het geld had gebruikt voor ontwikkelingen, waartoe geen opdracht was gegeven. Er kwamen met helicopters, watervliegtuigen en kleine amphibiemachines allerlei Grote Namen uit Washington, Chicago, Detroit, New York, Boston en Pittsburg. Gedurende twee dagen was men bezig met een onderzoek. Men kwam tot een voorlopige conclusie, dat dr Bert Pousekovsky zijn taak had verwaarloosd en dat hij veel te veel van zijn tijd en vooral geld had besteed voor persoonlijke liefhebberijen. Men besloot een uitgebreid onderzoek te doen instellen op de door dr Bert Pousekovsky's afdeling verrichte werkzaamheden, en voor dat onderzoek stelde men een tijdsduur van een half jaar vast. De studiecommissie zou daarna moeten besluiten of dr Bert Pousekovsky al of niet zou moeten worden ontheven van zijn taak, of dat hem een bepaald nieuw object zou moeten worden aangewezen. Tot die tijd zou hij op non-actief worden gesteld.

Er kwam slechts een zwak protest van Bert en in het geheel geen protest van de professor. William daarentegen ging hevig in verweer en betoogde, dat men zich niet mocht blindstaren in één richting, maar dat men moest openstaan voor het vele verrassende, dat door zijn broer was bereikt. Het mocht niet baten: de studie-commissie zou het laatste woord krijgen. En half Juni vertrok een verbitterde Bert uit Oaklake. Alec zei tegen hem: ‘Je was blijkbaar te idealistisch voor Oaklake: één wereld of géén wereld, hè?’

[p. 190]

Bert antwoordde traag: ‘Nou, Alec, werkelijk, eigenlijk dacht ik niet altijd zo idealistisch, eigenlijk niet. Ik dacht meer aan de zuivere wetenschap. De toepassing was een tweede, ja, een tweede’. Hij wachtte even, dacht na en zei toen: ‘Maar misschien heb je wel een beetje gelijk, een beetje, ik bedoel wat dat idealisme betreft. Want waarom zou ik anders juist bepaalde richtingen hebben gekozen en andere verwaarloosd, zoals zij het noemen, verwaarloosd?’

En toen stond hij op en ging, moeilijker lopend nog dan anders, naar zijn kamer om zijn koffers te pakken.

prepostterug  begin  verder