Herfst 1953
Heel Oaklake was in opstand.
En niet alleen heel Oaklake: over het ganse gebied van Maine was op alle zenders de radio-ontvangst gestoord door de geheimzinnige, om hulp roepende stem, waarvan niemand de herkomst kon bepalen. De radiostations en de kranten spraken erover als over een ongepaste grap, waarvan de dader wel spoedig zou zijn opgespoord. En iedereen luisterde naar de angstige, bijna mompelende stem, die maar ‘Redt mij, redt mij’ zei, en: ‘Ik ben verdwaald’, of: ‘Ik ben verloren’, en een paar keer zelfs: ‘Ik ben mijn lichaam kwijt. Ik kan er niet in. Redt mij’.
In Oaklake begon een krankzinnig, volslagen onweten-
schappelijk gerucht de ronde te doen. Niemand wist vanwaar het gekomen was. Niemand ook sprak de gedachte duidelijk uit. Men zei alleen maar: ‘Ze beweren, dat die radio-stem precies lijkt op die van professor Pousekovsky. De goeie man is helemaal veranderd, hij ligt wezenloos in het ziekenhuis. Een gekke verpleegster moet hebben gezegd, dat hij zijn ziel kwijt is, maar dat mens is natuurlijk getikt. Stel je voor, zijn ziel!’ Iets dergelijks zei men tegen elkaar.
‘Ja’, zei Joan tegen Alec, ‘hij is helemaal wezenloos. Hij is onpeilbaar geworden, een soort van ongevaarlijk beest. Hij wiegt met zijn hoofd en glimlacht en wuift, zegt “Dagdag”, wil steeds zijn kleren maar uittrekken en laat zijn tanden zien, als men te lastig wordt. Hij is kerngezond, lichamelijk functionneert hij zeer normaal, en met zijn geestelijke vermogens is het ook niet helemaal mis. Ze hebben hem de stelling van Pythagoras laten bewijzen en dat was allemaal best in orde; hij deed het een beetje verveeld, als een zeeleeuw, die zijn kunstje al duizend keer heeft gedaan. Zijn geheugen is prima, maar hij geeft antwoord op vragen, alsof hij voor niets nog interesse heeft en hij alles zeer tegen zijn zin uit zijn hoofd heeft geleerd uit een bar vervelend boek. Hij is gek op verse vruchten, van gekookt eten moet hij niets meer hebben, rauwe vis verslindt hij. Hij drinkt alleen nog water en cocosmelk en walgt van drank. Ze hebben van alles met hem geprobeerd en tien specialisten zijn op het ogenblik bezig te onderzoeken, welke ziekte of althans welke afwijking hij kan hebben. Ze zeggen, dat hij zijn specifiek menselijke eigenschappen heeft verloren. Hij heeft ook al een verpleegster trachten te verkrachten, alsof het voor hem de eenvoudigste zaak van de wereld was’.
‘Wanneer kunnen Bert en Helen hier zijn?’, vroeg Alec.
‘Misschien vanavond’.
Het was op de middag van de tweede dag volgend op de radiatomische mensoverbrenging en de ontdekking van menselijk leven op X.
‘Misschien ook morgen. Maar dat gééft ook niet zoveel,
want levensgevaar is er in het geheel niet, zeggen ze’.
‘En wat zegt William?’
‘Hij haalt zijn schouders op. Hij gelooft alleen maar, dat er een kleinigheid is misgegaan bij de radiatomische overbrenging’.
‘En wat zegt hij van de stem in de radio?’
‘Een raadselachtig geval, zegt hij. Maar hij trekt er zich niet te veel van aan, ze hebben het op zijn lab te druk met het bestuderen van de film. Ze zijn eigenlijk allemaal gek geworden daar. Ze verwachten nu steun van Bert’.
‘Van Bert?’
‘Ze willen er achter komen, wat die oude, grijze man zegt tegen die jonge wezens in de hangmatten. Ze denken, dat Bert hun daarbij kan helpen’.
Alec keek haar afwezig aan en zei ineens: ‘Maar natuurlijk. Hoe stom dat ik daar niet aan gedacht heb. Liplezen!’
Bert en Helen arriveerden gelijktijdig met een helicopter uit Boston. Alec zag hen pas 's middags aan de bar, waar het zeer druk was en zeer rumoerig. Iedereen sprak over de toestand van de Grote Man en over de stem door de radio. William en een groep van zijn medewerkers waren intens in gesprek met Bert, die er ouder, grauwer en duidelijk minder vriendelijk was gaan uitzien. Ze spraken in bedekte termen over de Coloradar-opnamen, die Bert die middag had gezien. Alec begreep, dat Bert al naar Beaver en enkele van zijn andere, vroegere medewerkers had getelefoneerd, en dat ze nog diezelfde avond laat in Oaklake zouden kunnen aankomen. Over de gezondheid van de professor werd bij moedeloze vlagen gesproken, men nam aan dat dit een zaak voor de medische specialisten was. Ook de stem over de radio hield hen bezig, sterker eigenlijk. Men wist niet, wat het te betekenen had, en wilde in deze kring het gerucht liever niet uitspreken. Men deed zoveel mogelijk zijn best om de zaak van de professor en de radio-stem gescheiden te houden, maar het was een nogal krampachtige poging.
In de kring, die Helen om zich heen had verzameld, was
dat anders. Helen zag er fris en opgewonden uit en gedroeg zich, alsof zij de leiding in handen had. Ze had het gerucht tot haar theorie gemaakt en deelde dat onomwonden mee aan monsieur Jacquard, die er onzeker tegenover stond. Mencken was geneigd zich aan de kant van Helen te voegen. Joan zei niets, was eigenlijk enigszins geprikkeld, omdat Helen opzettelijk zo weinig aandacht aan Alec had besteed, hem niet eens een hand had gegeven bij het binnenkomen, wat Bert wel had gedaan, ofschoon verstrooid en vluchtig. Joan zei, zeer kennelijk om de barkeeper in het gesprek te betrekken: ‘Wat denk jij van die “zielstheorie”, Alec?’ Het klonk nogal ironisch.
Mencken keek hem sullig en verwachtingsvol aan, alsof steun van welke kant dan ook van werkelijke hulp kon zijn voor Helen en hem. Terwijl hij Mencken een nieuwe rum inschonk en het oog daarbij op het glas gericht hield, antwoordde Alec: ‘Och, ik ben maar dom, ik weet dat allemaal niet zo. Ik geloof alleen maar, dat alles mogelijk is, een paar maanden in Oaklake móeten je wel tot dat geloof brengen. Maar als de professor inderdaad zijn ziel in de aether heeft verloren, dan is mejuffrouw Pousekovsky de enige, die een kàns heeft om hem te redden’.
Zijn toon was bewust plagend, maar goedaardig.
Helen keek hem vernietigend aan. Ze zei driftig: ‘Ik verdraag niet, dat..., dat...’.
‘Pardon’, zei Alec, ‘ik was werkelijk ernstig. Ik dacht aan het “moederborsteffect”, als ik tenminste het goede woord heb onthouden’.
Mencken zei dapper: ‘Kom Alec, dit is ongepast’.
‘Nee nee’, zei Helen snel en nog opgewondener dan ze al was, ‘nee nee’. En daarop: ‘Alec, ik dacht, dat je..., dat je... Geef me nog een whiskey, wil je?’
Ze dacht na met diepe rimpels in haar voorhoofd. Daarop zei ze verward: ‘Alec, je hebt me op een idee gebracht. Ik moet er met William en Bert over spreken’. Ze stond op, ging naar de andere hoek van de bar en riep haar twee broers apart. Even later liepen ze met zijn drieën naar de deur. Helen keerde zich plotseling om, pakte met haar
linkerhand haar glas, stak de andere naar Alec uit en zei hartelijk: ‘Bedankt’, en vertrok daarop haastig.
Joan zei droog: ‘Het ijs is weer gebroken’.
Gedurende het borreluur zag hij Helen niet terug.
Om een uur of negen ging hij naar Charley. Hij zei: ‘Ik heb er balen tabak van. Wat zou je denken van een mooi auto-tochtje?’
Charley zei: ‘Luister eens, daar heb je die stem weer’. Hij stond bij de radio. Door de tweede van Beethoven klonk: ‘Redt mij dan toch, redt mij, ik leef nog, ik wil niet verloren gaan’.
Ze stonden samen een paar minuten te luisteren. ‘Je wordt er stapelkrankjorum van’, zei Charley, ‘en het gekke is, dat het indruk op je maakt’.
‘Ik zei dus...’, begon Alec.
‘O.K. Waarom niet?’, zei Charley, ‘de wereld is toch bezig gek te worden. Laten we maar eens een avondje meedoen’.