terug  begin  verderprepost

XXVIII

Alec kwam om drie uur 's nachts thuis, een beetje nevelig en nogal vrolijk, maar zeker niet onvast op de benen. Toen hij over het maanverlichte gazon liep, hoorde hij stemmen bij de steiger. Even later werd hij geroepen: ‘Alec, wacht eens!’ Het was Helen. Hij keerde zich om en liep langzaam naar de plaats, waar hij nu Joan en Helen bezig zag met het vastleggen van een boot. Zonder inleiding zei Helen opgewonden: ‘Het wàs zo. We hebben een bloedproef genomen en hij hàd het!’

‘Wàt?’, vroeg Alec. Joan keek hem half ernstig, half lachend aan, terwijl Helen uitlegde, dat men sporen van de anti-persoonlijkheidsstof - die stof, die zij en Rothenstein hadden ontdekt - in het bloed van de professor hadden aangetroffen. ‘Waarschijnlijk genoeg om al een zeer licht moederborst-effect teweeg te brengen. We hebben tot half drie vergaderd. Ik heb het die specialisten eerst

[p. 225]

allemaal moeten uitleggen en we overwegen nu om mijn plan werkelijk uit te voeren’.

‘Alec's plan’, zei Joan.

‘Kom meisjes, niet kibbelen’, zei Alec welgemoed.

Helen zei: ‘De bedoeling is inderdaad, dat we hem een overdosering van het preparaat geven. En dan zullen we hem nòg eens laten overzenden’.

‘'t Is een fantastisch idee’, zei Alec. ‘Ik kan er nauwelijks in geloven’.

Niemand weet nog, wat hij geloven moet’, zei Joan zachtjes.

‘Maar 't is de enige kans’, zei Helen.

Ze keken naar Het Complex, waarin nog achter vele vensters hel licht brandde. Joan fluisterde: ‘Wat een afschuwelijk gebouw. Wat een afschuwelijke wereld’.

‘Ja’, zei Helen zacht. ‘Een afschuwelijke wereld’. En tot Alec: ‘Ik heb de film van William gezien’. Ze liepen nu langzaam naar ‘Sunrise’. ‘Wat een ontroerende film’, zei Helen. ‘Ik dacht, dat ik droomde. Het is een wonder, dat we met elkaar nog niet gek zijn’.

‘Ik ben er niet zeker van, dàt we het niet zijn’, zei Alec vrolijk.

Helen wees met haar duim over haar schouder en zei: ‘Als ze daar niet gauw ophouden, zullen we het beslist worden, ja’. En toen: ‘Wat een vrede daar op die film. Wat een paradijselijk leven. En nu zijn ze bezig er achter te komen wat die grijze man zegt. Alsof dat al niet lang duidelijk is. Daar heb je geen vertaling voor nodig’.

‘Ik geloof, dat William helemaal over zijn toeren is’, zei Joan. ‘De toestand van papa interesseert hem maar half. Het voornaamste voor hem is nu om Bert en Beaver en Milhaud en al die anderen zo fel mogelijk op te zwepen om binnen de kortste tijd hun vertaalapparatuur in gereedheid te brengen. Ze zullen de hele nacht doorwerken’. Ze gingen het huis binnen. Mevrouw Stoops stak haar hoofd om een deur en zei: ‘Gelukkig, dat u er bent. Henry Peter heeft zo straks gehuild. Ik geloof niet, dat hij al weer in slaap is’.

[p. 226]

‘Ik zal gaan kijken’, zei Joan rustig. ‘Tot morgen allemaal’.

Mevrouw Stoops stond in de hall en keek naar Alec en Helen met een blik, die weifelde tussen afkeuring en aanmoediging. Ze besloot met te zeggen: ‘Er staat nog genoeg in de ijskast, mejuffrouw Pousekovsky. Zal ik iets voor u klaar maken?’

‘Ik zal het zelf wel doen’, zei Helen. ‘Ik ken de weg hier nog wel zo'n beetje’.

Mevrouw Stoops trok zich terug en Helen vroeg: ‘Eet je nog iets mee?’

‘Dat zou niet slecht zijn’, zei Alec. ‘Ik zal een paar eieren bakken of zo’.

‘Dat zal ik wel doen’.

Ze gingen naar de keuken en Alec keek toe hoe Helen kalmpjes aan de slag ging met spek en eieren, een blikje paddenstoelen, een rest vlees en tomaten. Ze gooide haar bontmantel over een stoel en trok het jasje van haar beige, jersey mantelpak uit. Ze droeg een groene, zijden blouse, die aan één kant een beetje uit haar rok hing. Het was warm in de keuken en Alec deed zijn overjas uit, legde die over de mantel van Helen en stapelde daarop nog eens zijn colbertjasje. Hij maakte zijn boord en das los en zat gezellig met zijn hoofd in zijn handen aan de keukentafel te kijken naar wat Helen aan het knutselen was.

Helen zei ineens, glimlachend: ‘Wat een toestand was het daar in El Paso, hè?’

‘Dat was óók een gekkenhuis’.

‘Ik heb je het leven wel zuur gemaakt’.

‘Hoort er blijkbaar allemaal bij’.

‘Wat ga je nu doen, straks, als je hier voorgoed weggaat?’

‘Een beetje leven, denk ik. Misschien kom ik nog eens zover als dat blauwgerokte volkje op die film. Zomaar wat in een hangmat of zo’. En na een korte pauze: ‘Hoe gaat het met je tegenwoordige werk?’

Ze zei, zonder hem aan te kijken: ‘Eerlijk gezegd: beroerd.

Het is vechten tegen de bierkaai. We zijn niet hard genoeg. Als er niet gauw iets bijzonders gebeurt weet ik het

[p. 227]

niet...’ Ze zuchtte. ‘Soms denk ik wel eens, dat het maar het beste zou zijn om ze stiekum allemaal een anti-ikpoeier door hun eten te gooien. Ze willen allemaal macht hebben of macht houden. 't Is niet alleen een gekkenhuis hier of in El Paso, de hele wereld is dol’.

‘Dat zal zo wel moeten zijn’.

‘Ja misschien wel. Au’. Er was een spetje gloeiende boter op haar vinger gesprongen. ‘Buien van verbetenheid spelen tegenwoordig stuivertje wisselen met buien van onverschilligheid. Ik moet toegeven, dat ik me in de laatste buien meestal het best voel’, zei ze, terwijl ze haar vinger onder de kraan hield. ‘Ik ben maar een raar, grillig meisje, Alec. Ik wou, dat ik mezelf maar een beetje beter onder contrôle had. Ik heb dikwijls het gevoel, of het allemaal nog beginnen moet’.

Hij keek naar haar slordig-zittende blouse en de stevige, aantrekkelijke borsten daaronder, naar haar enigszins wilde, rode haar en haar vrij scherpe, maar nu rustige gezicht.

‘Je ziet er plezierig uit’, zei hij.

‘Nou, dat is dan tenminste al een heel ding’, zei ze met een humoristische trek om haar rode, sterke mond. ‘En nu maar eten, Weatherwood. Zullen we er een biertje bij drinken?’

‘Je kunt gedachten lezen’.

Ze begonnen te eten en ze spraken losjes over dingen, die er helemaal niet toe deden, en ze lachten en namen nog een biertje en rookten en toen er een stilte achter de woorden begon te groeien, zei Alec: ‘Kom, we gaan slapen’. Ze namen hun kleren over de arm en gingen de trap op. Voor haar kamer zei Helen: ‘Je mag me best een zoen geven, Weatherwood’, en dat deed hij. Het was een ongedwongen, bijna ironisch moment. Ze zei daarna: ‘Je bent aardig grijs geworden, meneer’.

‘Ja’, zei hij grijnzend, ‘het leven kan een mens verschrikkelijk knakken. Maar ik voel me nu toch weer een stùk beter’.

Hij gaf haar nog een zoen, heel luchtig, en liep rustig weg.

[p. 228]

Toen hij omkeek, zag hij, dat ze hem met haar ogen volgde, een beetje peinzend, maar vooral glimlachend. Ze wierp hem een kushand toe en ging naar binnen.

prepostterug  begin  verder