terug  begin  verderprepost

XXXIX

Herfst 1953

De volgende dag omstreeks één uur - Alec lag nog steeds in bed - werd er op zijn kamerdeur geklopt. Het was Joan die binnenkwam.

‘O Alec’, zei ze. Ze liep wanhopig op zijn bed af, liet zich naast hem vallen en begon tegen zijn schouder te huilen. ‘Wat nou?’, riep Alec.

Joan snikte en probeerde hem te vertellen, dat ze nu ècht gek waren geworden in het lab. ‘William wil er mee ophouden’.

‘Nou’, zei Alec, ‘dat is toch juist mooi!’

‘Maar hij wil gaan werken voor de Bond van Helen en Bert!’

‘Hè?’

‘Hij is helemaal overspannen. Hij ligt in een ijskoud bad cognac te drinken, om te kalmeren. Hij wil weg uit Oaklake, hij wil eerst vacantie nemen, ergens rustig aan zee, de bijbel lezen en boeddhistische literatuur...’

‘Maar wat is er dan gebeurd?’

Joan zei: ‘De vertaling... de vertaling... En nu ziet hij het ineens duidelijk. Helen en Bert hebben gelijk. Hij wil gaan werken voor een betere wereld, voor de vrede en voor de liefde...’

‘Maar dat is toch niet erg? Dat gaat wel weer over na verloop van tijd’. En toen: ‘Maar waarom?’

Met horten en stoten vertelde Joan, dat het gelukt was. Bert was er inderdaad in geslaagd het lipbeeld van de grijze heelal-man te vertalen. ‘Hele fragmenten schijnen goed te zijn overgekomen’, zei Joan. Voor zover ze het begrepen, was de man, precies zoals ze al gedacht hadden, een soort leraar. ‘Hij gaf “levenslessen”, om het woord van

[p. 229]

Bert maar te gebruiken. Bert zei, dat hij het waarschijnlijk had over de begrippen luiheid en ledigheid, maar dat was niet helemaal zeker, de vertaling was daar onduidelijk’. Er kwamen in de vertaling ook opmerkingen voor over een ‘onoplosbaar raadsel’ en het ‘zalig dom’ zijn. Maar dat was allemaal het voornaamste niet. Veel duidelijker was een concreet gedeelte overgekomen, waarin de man vertelde hoe ééns op hùn planeet zich een groep ijverigen hadden afgescheiden, mensen, die de technische wetenschap weer hadden opgedolven, die al zovele eeuwen in bibliotheken lag begraven, als een reeds lang overwonnen standpunt. Maar de Nieuwsgierigen waren weer begonnen met al de dingen te construeren, die in de oude boeken stonden aangegeven. Ze waren zelfs verder gegaan, hadden nieuwe dingen ontdekt. Toen had de Hoge Raad ingegrepen, de Nieuwsgierigen gearresteerd - het waren er al duizenden, mannen en vrouwen - en de Hoge Raad had in het geheim de oude luchtschepen laten bouwen en daarin waren de Nieuwsgierigen naar de onbewoonde en eigenlijk ook onbewoonbare planeet Aarde verbannen, zonder gereedschap, zonder kleren, zonder voedsel. Men had eerst nog getracht hun een her-opleiding te geven, maar het was niet gelukt, de Nieuwsgierigen hadden een afwijking in de hersenen en die afwijking was besmettelijk, kon zelfs epidemische vormen aannemen. En daarom waren de Nieuwsgierigen of Zieken, zoals ze ook wel werden genoemd, naar Leprozia, de Aarde, gestuurd. Ze zouden daar wel zijn uitgestorven.

Alec schaterde van het lachen.

‘Moet je er om lachen?’, vroeg Joan boos. ‘Moet je er om lachen, dat wij dus eigenlijk allemaal lepreus zijn?’

‘Kom nou’, zei Alec. ‘Bert heeft dat verhaaltje natuurlijk zèlf bedacht’.

‘Geloof je dan niet, dat...’

‘Ik geloof er niets van. Ben je gek! Maar het is een mooi verhaal. En het heeft blijkbaar diepe indruk gemaakt. Een mooie overwinning van de Bond!’

‘Alec...’, zei Joan bedachtzaam, ‘denk je, dat Bert dat

[p. 230]

verhaal...’ En toen: ‘Het zou best kunnen!’ Ze stond op en zei: ‘Dat moet ik William vertellen!’

‘Nee nee!’, riep Alec. ‘In hemelsnaam, doe dat niet! Dit is immers jè kans om uit Oaklake weg te komen. Heus, dat van die Bond en zo, dat gaat wel over!’

‘Maar hij maakt zich verschrikkelijk belachelijk met die Bond. Ik heb nog liever, dat hij hier blijft, dan dat hij een politieke dilettant wordt. Ik wil niet, dat ik medelijden met hem moet krijgen! Dan loop ik weg!’ Ze legde zich vermoeid naast hem neer en zei eensklaps, alsof ze een grote behoefte had aan steun: ‘Dan ga ik met jou mee’.

Alec grinnikte en zei: ‘Dat is de goeie methode niet. Je kunt hem beter overhalen een matrassenfabriek te beginnen of domweg leraar te worden in Topeka of een sigarenwinkel te openen in Akron. Je moet hem ervan overtuigen, dat jij en Henry Peter belangrijker voor hem zijn dan de hele mensheid’.

‘Maar hoe?’

‘Door over een paar dagen gewoon met hem te praten. Je zegt maar heel eenvoudig, dat je er beu van bent. Hij zal het dan heus wel begrijpen’.

‘Geloof je dat werkelijk?’

‘Beslist. Maar praat er verder met niemand anders over. Ook niet met Helen bijvoorbeeld’.

‘Helen weet nog van niets. Die is in haar lab. Ze is daar aan het werk met Rothenstein, die is vanochtend aangekomen met een paar andere lui. Ik heb zo'n idee, dat ze het vanavond al zullen doen’.

‘Wat doen?’

‘Papa nog eens een keer overzenden van Simonshill naar Oaklake. Met een overdosering van het preparaat’. Ze zette de radio aan en draaide bijna gedachtenloos aan de knopjes. ‘Redt mij, redt mij’, klonk het dwars door Doris Day heen. ‘Ik ben mezelf kwijt, ik ben mezelf voorbijgerend, redt mij, redt mij’. En Doris zong: ‘Enjoy yourself, it's later than you think’. En de stem riep zwak: ‘Redt mij, redt mij’.

[p. 231]

Om half zes die avond was de bar in ‘Sunrise’ overvol, maar het was er niet rumoerig, integendeel, de stemming was gedrukt, bijna plechtig. William zat bleek en wazig van een grote bel cognac te nippen, Bert was goedmoedig verstrooid, monsieur Jacquard keek geheimzinnig, maar helder in de verte, Joan zat geprikkeld te spelen met de olijf in haar glas en Helen blikte verward naar Alec.

Ze zei tegen hem: ‘Het was een erg zielig gezicht...’

‘O ja?’

‘Hij huilde als een kind, bijna dadelijk na de injectie al. Hij snikte aan één stuk door, alsof hij ergens verschrikkelijke pijn had en niet kon zeggen waar. Hij vond alles best wat ze met hem deden, en hij ging zonder tegenstribbelen met de verplegers mee in het vliegtuig. Hij had alleen maar aandacht voor zijn eigen verdriet’. Ze keek op haar horloge. ‘Om acht uur vanavond doen ze het. Ga je ook mee?’

‘Als het kan...’

‘Jacquard vindt het vast goed. Ze zijn allemaal de kluts kwijt’.

Hij werd naar de andere kant van de bar gewenkt en was daar een paar minuten bezig met flessen en glazen. Toen hij terugkwam, zei Helen, fluisterend, terwijl ze zich naar hem toeboog: ‘Heb je het al gehoord van die vertaling en van William?’

‘Ja’, zei hij, ‘een aardig succesje voor de Bond’.

Ze vroeg: ‘Vind je het niet een ontstellend verhaal?’

‘Ik begin alles te accepteren’, zei hij achteloos. ‘Wat is waarheid, wat fantasie? Wat zien we en wat dromen we maar?’

Helen zei: ‘Ik geloof, dat we àlles dromen. Ik wou, dat ik maar wakker kon worden. Ik zal wel doodmoe zijn als ik ontwaak’. Haar blik trok weer weg, werd opnieuw afwezig en in gedachten volgde ze zijn bewegingen met de shaker en de glazen. ‘Wat zal ik nog eens drinken’, overlegde ze halfluid bij zichzelf. Ze vroeg, en eensklaps waren haar ogen weer helder, herkennend: ‘Heb je Calvados?’

[p. 232]

‘En hoe!’, zei Alec. Hij nam de fles en begon haar een glaasje vol te schenken.

‘Hemel, weet je nog?’, zei Helen, ‘wit en blauw porselein! Wat is dat een eeuwigheid geleden’.

‘Hsuan-Te!’, zei Alec. ‘Dat waren mooie tijden!’

‘La Rose de Madame Deburau!’ Ze lachte. ‘En we klommen De Heuvel op’.

‘Voorbij, dat is allemaal voorbij’.

Ze zweeg, keek, alsof ze iets overwoog en zei toen ineens: ‘Die paddenstoelen van vannacht lagen me een beetje zwaar op de maag. Heb jij óók onrustig geslapen?’

‘Nee’, zei hij, ‘helemaal niet’.

Ze vroeg: ‘Wanneer ga je weg?’

Hij haalde zijn schouders op: ‘Met een paar dagen, een week’.

‘Waar ga je heen?’

‘Eerst naar het zuiden, naar de warmte’.

‘Daar zou ik ook best voor voelen’, zei ze. Ze wist niet, of hij het goed had verstaan, want hij werd weer weggeroepen.

prepostterug  begin  verder