Alec kon zich niet herinneren de college-banken ooit zó vol te hebben gezien. Hij zat bijna op het hoekje, vlak naast de bedaarde dokter Gray, die eigenlijk overbodig was, want in de onmiddellijke omgeving van de enorme brandkast was een operatie-tafel opgesteld en daaromheen stond een grote, rustige groep artsen, chirurgen, verplegers en verpleegsters. Ze hadden de proef-overbrenging zwijgend, maar met grote aandacht gevolgd. Het wachten was nu op de professor.
Naast Alec zat Helen, naast haar Joan, dan kwam William, vervolgens Bert. Niemand zei een woord; ofschoon het lab tot in alle hoeken was gevuld met mensen, hing er de stilte van een ijstijd. Het beeld op het grote scherm gaf geen
geluid en was zonder beweging. Al een paar minuten keken de mensen in Oaklake naar de nietszeggende, rode weegschaal in Simonshill. Monsieur Jacquard zat onbeweeglijk in zijn draaistoel en vroeg na een poosje zachtjes door de microfoon: ‘Is er wat aan de hand, Mencken?’
Mencken kwam in het beeld. Hij zei: ‘Nee, alles is hier nauwkeurig in orde. Maar het onderzoeken van professor Pousekovsky duurt nog steeds voort’. Mencken verdween en in Oaklake wachtte men weer. Het duurde zeker wel drie minuten voor Mencken nogmaals op het doek kwam. ‘We kunnen beginnen’, zei hij gedempt. Er verscheen een brancard in het beeld, en daarop zat de in elkaar gedoken, schokkende figuur van de professor. Hij was naakt en zag er uit als een kleine, kouwe aap met een of ander groot verdriet. Hij liet zich willoos opnemen en neerzetten op de weegschaal. Hij werd gewogen en daarna naar de brandkast geleid. Even hield hij op met huilen, keek hij vaag-herkennend om zich heen en stapte toen helemaal uit zichzelf en nogal vlug de kast binnen. Mencken sloot de deur omslachtig.
De klok kwam op het scherm en de hoge, soms golvende fluittoon begon weer te zinspelen op andere werelden.
‘Alles in orde?’, vroeg monsieur Jacquard.
‘Ja’, zei de stem van Mencken. ‘We zullen rood geven op jullie teken’.
‘Goed dan, geef maar rood’.
De rode lampen gingen branden, het leven was alleen nog maar gevaar.
Monsieur Jacquard zei: ‘Schakel dan definitief...’ en hij herhaalde de bekende frasen. ‘nu’.
Helen greep Alec's hand, telde zachtjes mee, steeds heviger kneep ze zijn hand. Toen de geweldige klap kwam, sloeg ze haar handen voor de ogen, bleef zo zitten.
Het leven werd weer groen, de brandkast van Simonshill kwam op het scherm, werd snel opengemaakt, was leeg. Bijna terzelfdertijd ging de brandkast in Oaklake open. Een paar ogenblikken zag men alleen iets wits schemeren in de spiegelende ruimte, toen, plotseling, stapte professor
Pousekovsky blazend en doodmoe naar buiten. Hij bleef daar staan zoals hij was, spiernaakt, onbekommerd en hief daarna langzaam, bezwerend, de armen op, alsof hij om stilte verzocht, maar niemand zei iets, niemand zelfs verroerde zich. Alec zag, dat het de oude professor was, de rood-aangelopen man met de vetbulten. Zelfs zijn haar was weer zoals vroeger: helemaal grijs.
‘Dat was een lange reis, vrienden’, sprak de Grote Man op haast bijbelse toon, ‘en ik heb dingen gezien, waarvan het niet mogelijk is ze met woorden te vertellen, zelfs niet met muziek. Verschrikkelijke dingen waren daaronder en zeer schone. Ik heb veel tijd gehad om na te denken. Ik was radeloos over mijzelf. Maar nu ben ik terug. Ik ben terug in Oaklake, de oude, vervulde Victor Pousekovsky, en toch ook de oude niet, want ik ben thans ànders vervuld. Ik ben terug in Oaklake, maar ik zal het spoedig verlaten, mijn werk hier zal ik nooit meer opnemen. Ik zal er voor de paar resterende jaren van mijn leven voor waken mijzelf niet meer voorbij te rennen’.
Alec zei zacht tegen Helen, voornamelijk om te vechten tegen het pathetische gevoel in hem: ‘Nu zou Het Leger des Heils moeten inzetten’, maar hij had spijt van die opmerking, want hij zag, dat Helen heel vreemd en stil zat te huilen.
De Grote Man nam de leiding en wenkte de specialisten mee naar de medische afdeling. Toen hij verdwenen was, brak er geen tumult los; men schuifelde en kuchte. Sommigen verlieten stil de banken en gingen naar de uitgang. Alec feliciteerde Helen en zei: ‘Je hebt hem gered’.
Ze keek hem verward aan, met tranen in de ogen en fluisterde verwonderd: ‘Ja, ik heb eindelijk eens iets gedaan. Maar het is niet voor herhaling vatbaar, gelukkig’.
Ze stonden in de lift, de zwijgende professor, de onzeker glimlachende monsieur Jacquard, de zacht fluitende Bert, de afwezige Helen, die Alec's hand vasthield - waarschijnlijk zonder dat ze het zichzelf bewust was -, de droevige Joan, en de bleke, bijna etherische William, die op een
toonloze manier zijn vader vertelde, wat er de afgelopen dagen in Oaklake was gebeurd. Toen de lift beneden was aangekomen, bleef de Grote Man luisteren naar zijn zoon. Niemand opende de deur.
‘Een merkwaardige samenloop’, zei de professor voor zich uit.
‘En nu heb ik het besluit genomen om samen te werken met Helen en Bert’, besloot William.
‘Zo, zo... Nu ben jìj dus ook bij de Luiheidsbond’, zei de Grote Man.
Niemand maakte hem erop attent, dat hij een onjuiste naam gebruikte voor de organisatie. ‘Zo zo... ja, Jacquard heeft mij daarover uitvoerig ingelicht. Het moet sympathiek werk zijn... Maar er zal hard moeten worden gewerkt, zéér hard’.
William zei: ‘Waarom doet u óók niet mee met ons?’
‘Ja’, zei Helen, eensklaps niet afwezig meer en met nieuwe hoop in haar stem, ‘ja, papa, doe mee met ons. Dàn kunnen we voort, wij met ons vieren. Of met misschien nog méér’. Ze keek snel om zich heen.
‘O, u zou eerst die film moeten zien’, zei William. ‘En de vertaling lezen’.
‘Niet nodig, niet nodig’, zei de professor, ‘ik heb óók iets gezien, elders...’ En toen ineens: ‘Ja, de Luiheidsbond, ja, ik geloof...’
Maar Joan onderbrak hem fel: ‘Doe die deur open, laat me er uit. Jullie zijn allemaal stapelgek. Hard werken voor de Luiheidsbond! Dat is hetzelfde als geboren worden in het graf!’ Ze begon hard, zenuwachtig te lachen. ‘Jullie zijn gek, jullie kùnnen eenvoudig niet meer leven als normale mensen. William, het is voorbij tussen ons. Doe die deur open. Kom Alec, we gaan weg uit dit krankzinnigengesticht’.
Ze keken haar allemaal verbijsterd aan, niemand opende de deur voor haar, ook Alec niet. Toen deed Joan het zelf. Ze huilde. En terwijl ze Alec bij de hand pakte, zei ze: ‘Ik geef meer om Alec dan om jullie allemaal bij elkaar. Kom, Alec...’ en ze trok hem voort door de röntgen-
detector. Joan dwong hem tot hard lopen en Alec dacht geamuseerd: als er nù niets gebeurt, gebeurt het nooit...
Bijna in koor riepen William en Helen: ‘Hé daar, wacht, wacht!’
‘Doorlopen’, zei Alec zachtjes. Maar de halldeur ging open en er sprongen al geüniformeerde kerels op hen af. Met uitgestrekte handen hielden ze de vluchtelingen tegen.
‘Joan!’, zei William. ‘Wat doe je nòu voor iets mals...’
‘Alec’, zei Helen, ‘ik wist niet, dat jullie...’
‘Van de nood een deugd maken’, vulde Joan aan. ‘Ja, als jullie òns dan niet willen, dan nemen we elkaar. Nietwaar Alec?’
‘Vast en zeker’, zei hij.
‘Maar ik wìl je immers wel’, zei William verwilderd, ‘ik... ik...’
‘Luister eens’, zei Helen, ‘ze heeft gelijk, William. Ik wéét wat ze bedoelt. Ja, ze heeft gelijk. Ik geloof, dat het voor ons allen maar het beste is, dat...’ Ze keek naar haar vader en haar broer Bert, die inmiddels ook naderbij waren gekomen. Nietwaar Bert? We schieten géén steek op, hè?
Bert antwoordde mokkend: ‘Het draait op politiek uit, en dat is niets voor ons soort mensen...’
Helen zei resoluut: ‘Ja, zo is het, zo is het. Ik...’ En toen ineens: ‘Alec, jij hèbt toch niet iets met...’ Ze wierp een blik op Joan. En die zei: ‘Het was de simpele toepassing van een klassieke truc’.
‘Maar...’, zei William.
‘Stilte!’, zei de Grote Man ineens. Het echode door de hall. ‘Ja, zoals we hier staan zìjn we allemaal stapelgek. Ik doe niet meer mee. Ik denk, dat ik maar heel gewoon een honden-asyl ga beginnen of iets dergelijks. Ik vind, dat je moet doen waar je plezier in hebt. Je moet er niet om heen draaien en je tijd niet verbeuzelen met dingen die er niet toe doen... Helen, tróuw nou maar met die jongen, hij is per slot niet eens zo dom als ik altijd dacht, 't is heus wel een aardige jongen. En William, waarom word je geen landmeter op Sumatra, je wou vroeger altijd
zo graag land ontdekken, oerwouden door en zo...’ Ze liepen langzaam naar de uitgang; de geüniformeerde mannen slenterden slungelachtig mee. ‘En ik dan?’, vroeg Bert achteruitgesteld.
‘Wéét je dat niet?’, vroeg de Grote Man. ‘Waarom probeer je niet iets te worden bij het Doofstommenonderwijs? Dáár hebben ze nu werkelijk behoefte aan het gebruik van een taal...’
‘God ja’, zei Bert vaag, ‘met die gehoorapparaten tegenwoordig..., ja, nieuwe methoden...’
Ze kwamen op de brede betonbaan.
‘Waar staan de auto's?’, vroeg William.
‘Nee’, zei Joan, ‘éérst zeggen wat je wilt. Wil je mij en Henry Peter of al die onzin?’
William zei, en het klonk haast wanhopig: ‘O, toe nou Joan, dat wéét je best!’
‘Wìj gaan met de boot’, zei Helen, ‘er is altijd nog zoiets als “Tom's Cabin”.’
‘En wij, Bert’, zei de Grote Man, ‘hebben nog iets vergeten te doen, bedenk ik nu. Ga je nog even mee naar binnen?’