Helen en Alec voeren in een open boot over het meer naar het kleine zomerhuis in het donker aan de overkant. Ze waren kouwelijk en spraken weinig, waren onwennig in elkaars gezelschap en voelden zich somber. Ze wisten, dat het nog een hele tijd zou duren, voor ze aan de nieuwe, zo plotseling ontstane situatie zouden zijn gewend.
Het was een vrij kille avond met flarden wolken en met zo nu en dan een onduidelijke maan. Plotseling scheen er geweldig veel licht achter hen. Ze keken om en zagen door de ramen van Het Complex een enorme, paarsige gloed. Even later klonken er knallen. Er begonnen sirenes te loeien. Het waren de noodsirenes, die iedereen bevalen
Het Complex zo spoedig mogelijk te verlaten. Dat zei Helen tenminste. Door de nacht ging ver en hoog het gesnerp van politie-fluitjes, zelfs over die grote afstand was het nog te horen. Alec zette de motor af. Hij zei donker: ‘Ja vader en broer blazen de boel op, Helen’.
Ze vroeg angstig: ‘Zouden ze zichzelf...’
‘Ben je gek!’, zei hij zeer resoluut. ‘Dan zouden ze het wel anders doen. Ze laten alleen maar hier en daar in Het Complex heel toevallig een ongelukje gebeuren met de apparaten...’
Er scheen nog meer licht, er klonken nieuwe knallen. Het angstaanjagende geluid van de sirenes daartussendoor hield aan. Van de politie-fluitjes hoorden ze nu niets meer. De Coloradar-spiegel gaf plotseling zijn honderdvoudige kleurengloed af, trilde kort daarop, gaf een vreemde, rinkelende klap af en doofde uit.
‘Ook kapot’, zei Alec.
‘Kom’, zei Helen, huiverend, ‘laten we doorvaren, Alec’.
Toen Alec drie kwartier later voorzichtig nieuw hout in de brandende haard stapelde - het was muf en zeer kil in Tom's Cabin 'en ze hadden de deuren open gezet om het huis flink te laten luchten - waren de knallen al lang opgehouden. Het Complex was vrijwel donker. Maar nu was er een groot gerucht van boten op het meer.
Helen riep uit de keuken: ‘Er is nog rum ook. Zou een grocje ons helpen?’
‘Vast wel’.
En van buiten klonk er een vrolijke stem: ‘Is er genoeg voor drie?’ Logge stappen klotsten op de trap. Even later kwam Charley door de open deur. ‘Had ik het niet gedacht!’, zei hij lacherig. ‘Ik zag hier licht en ik zei tegen mezelf: kom, eens effe buurten!’
‘Hoe kom jìj op het meer?’, vroeg Alec.
‘Alles is toegestaan op het ogenblik. Ik hoorde die knallen en ik begreep onmiddellijk wat er aan de hand was. Het is toch zo, nietwaar, het is daar toch afgelopen, hè?’, en tegen Helen, die binnenkwam met een bezem in de hand: ‘Wat gebeurt hìer. Toch geen schoonmaak zeker? Dat
heeft weinig zin, want morgen is Oaklake beslist geen stil plekje voor tortelduifjes. Ik geloof, dat de professor en dr Albert ook al de benen hebben genomen. Toen ik zo straks langs de grote steiger kwam, zag ik ze tenminste op een watervliegtuig toevaren...’
Helen zuchtte. ‘Gelukkig maar...’
Charley vroeg: ‘Is het tussen jullie nu in kannen en kruiken?’
Helen lachte vaag en zei: ‘Och, we moeten er nog aan wennen...’
‘En wat gaan jullie doen?’
‘Naar Californië, denk ik’, zei Alec, ‘ik heb daar altijd nog wat boeken staan en een ouwe motorfiets’.
‘Ik kon die kant ook wel eens optrekken, over een dag of wat. Ik heb de buit nu toch binnen’.
‘Net op tijd’, zei Alec. ‘Misschien kunnen we daar samen wel iets beginnen, wie weet’.
‘Nou, dat zien we nog wel. Het komt vast wel goed’, zei Helen gemakkelijk.
‘Ik vind jullie maar aardig lauw voor een jong stel’, zei Charley.
‘Ja’, zei Helen. ‘Maar de wereld gaat aan vlijt ten onder. Wist je dat nog niet?’
‘Praat me er niet over’, zei Charley.
En Alec zei: ‘Nee, liever niet. Een rumgroc is beter’. En hij sloot de deuren en trok de gordijnen dicht.
‘Het is een eenvoudige bruiloft’, zei Helen, die met de dampende glazen binnenkwam, ‘maar je moet maar zo rekenen, Charley, we zijn ook maar eenvoudige mensen’. ‘Eindelijk’, zei Charley.
Ofschoon ze haast hadden de volgende dag, reed de Cadillac met Helen en Alec kalm door de wereld. De zon gaf een herfstig licht af over het goede Maine en Helen neuriede vergenoegd mee met de muziek uit de radio. De ontvangst was nu weer ongestoord.
Helen zei: ‘Hindert het je, dat je nu in mìjn Cadillac naar Californië rijdt?’
Alec trok de schouders op en antwoordde: ‘We zullen hem binnenkort wel moeten missen. Laten we er daarom zo lang nog maar plezier van hebben’.
Ze reden over een betonweg dwars door koel bos. Er was weinig verkeer. En de Cadillac zoemde rustig voort. Toen hij door een flauwe bocht was gegaan, zagen Helen en Alec aan de andere kant van de weg een oude Ford staan. Er lag een man onder, die blijkbaar iets aan het repareren was; de benen van de man duwden het lichaam driftig dieper onder de wagen. Alec was in een uitstekend humeur en in een stemming om de hele wereld van dienst te zijn. Hij stopte, draaide het raampje omlaag en riep: ‘Hé daar, kunnen we helpen?’
Er kwam een onduidelijk gebrom onder de oude wagen vandaan. Even later verscheen er een besmeurde man. Hij zei: ‘Altijd hetzelfde met die ouwe huurwagens...’ En vlak daarop, verrast: ‘Wel heb ik ooit!’ Het was Chester Hobson. Hij rende op de Cadillac toe, trok ondertussen een notitiebloc uit één van zijn zakken en riep: ‘Is het waar, dat...’
Maar Alec had al ingeschakeld, en terwijl hij de wagen liet optrekken, riep hij pesterig door het raampje: ‘Nee, er is geen woord van de hele historie waar!’