Ontdekkers en ontdekkingenIn de 17de en in de 18de eeuw, toen de middeleeuwen als een donker tijdperk werden beschouwd, was de Middelnederlandse letterkunde, samen met de handschriften, waarin ze was overgeleverd, in vergetelheid geraakt; slechts berijmde kronieken, die voor de kennis van de vaderlandse geschiedenis belangrijk werden geacht, werden in die tijd in het licht gegeven. In het begin van de 19de eeuw ontlook in Nederland en Vlaanderen de belangstelling voor de in vergetelheid geraakte en gedeeltelijk vergane werken, die in de late middeleeuwen in het Nederlandse taalgebied in de volkstaal waren geschreven. In de 19de en de 20ste eeuw werden de Middelnederlandse handschriften, die zich in openbare instellingen, vooral bibliotheken en musea, en in particulier bezit bevonden, opgespoord en tal van Middelnederlandse fragmenten uit boekbanden te voorschijn gehaald. We kunnen hier slechts enkele van de talrijke, soms opzienbarende, ontdekkingen vermelden, die in de 19de en 20ste eeuw zijn gedaan. In 1805 ontdekte F.D. Gräter in het Ritterstift Comburg am Kocher een lijvig, waarschijnlijk te Gent geschreven handschrift dat o.a. Die rose, Sidrac, Van sente Brandane, Vanden vos Reynaerde en de Rijm-kroniek van Vlaanderen bevatte (het Comburgse handschrift, thans hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, cod. poet. et philol. fol. 22). In 1811 kocht K. van Hulthem op de veiling-A. Nuewens te Brussel een verzamelhandschrift, waarin o.a. de vier abele spelen, Van sinte Brandane, Dboec vanden houte, Die
borchgravinne van Vergi en Theophilus voorkwamen (het handschrift-Van Hulthem, thans hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.589-623). In 1837 ontdekte P.H.G. Iterson in een kast in de Sint-Laurentiuskerk te Weesp een aantal Middelnederlandse handschriften, afkomstig uit het Sint-Jansklooster aldaar (thans 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek). Omstreeks 1830 ontdekte F.J. Mone te Leuven 10 bladen uit een handschrift van de Flandrijs (thans hs. Straatsburg, Bibliothèque Nationale et Universitaire, Holl. 1). In 1839 bracht D.J. van der Meersch verslag uit over 32 bladen van een handschrift uit het einde van de 13de eeuw, afkomstig uit de abdij van Ename bij Oudenaarde, die fragmenten van 12 dichtwerken o.a. van Vanden levene ons Heren, De dietsche Catoen en Dat bouc van seden bevatten (het Oudenaardse rijmboek, thans hs. Oudenaarde, Stadsarchief, 5576). Eveneens in 1839 kwamen in het gouvernementsgebouw te Maastricht een aantal Middelnederlandse codices aan het licht, afkomstig uit Limburgse kloosters, die in 1797 door de Fransen werden afgeschaft (thans verdeeld over de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht en de Universiteitsbibliotheek te Groningen). In 1840 maakte W. Holtrop de ontdekking van een aantal Middelnederlandse fragmenten o.a. van het Roelandslied en Karel ende Elegast bekend, die in de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage in boekbanden waren ontdekt (hs. '-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 74 C 8 en 131 D 5). Eveneens in 1840 ontdekte J.H. Bormans te Sint-Truiden een jammer genoeg niet meer volledig handschrift met het Leven van Christina de Wonderbare en het Leven van Sint-Lutgard, beide berijmd door Broeder Geraert (thans hs. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, I G 56 en I G 57). In 1856 vond A. Gillet bij notaris J. Aussems te Aubel een handschrift met de Sint-Servatius-legende van Hendrik van Veldeke, afkomstig uit het begaarden-klooster te Maastricht (thans Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 1215). In 1863 ontdekte J. Daris in de band van een register in het archief van de Sint-Odulphuskerk te Borgloon fragmenten van het Roelandslied en van Jonathas ende Rosafiere (thans hs. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, I A 24l en I A 24m). Omstreeks dezelfde tijd kwam in de Zwanenburg te Kleef een dubbel blad uit een handschrift van de Floovent aan het licht (thans hs. Neurenberg, Germanisches Nationalmuseum, 18.423). In 1869 ontdekte F. von Hellwald in de Hofbibliothek te Wenen een handschrift, geschreven in Roeklooster te Oudergem bij Brussel, met o.a. de Tweede Partie van de Spiegel Historiael, bewerkt door Philip Utenbroeke (thans Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 13.708). In 1871 ontdekte J.A. Wolff in het kasteel Wissen bij Kevelaer een handschrift van de Historie van Troyen van Jacob van Maerlant. In 1887 publiceerde M. de Vries fragmenten van De borchgrave van Couchi, die kort te voren in de abdij van Berne te Heeswijk aan het licht waren gekomen (thans Leiden, Bibliotheek der Rijskuniversiteit, Letterk. 1024). In 1897 ontdekte F. van Veerdeghem in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen een handschrift, afkomstig uit de bibliotheek van Rooklooster, met het tweede en het derde boek van het Leven van Sint-Lutgard, bewerkt door Willem van Affligem (thans Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek, Ny kgl. Samling 4o 168). In 1908 ontdekte H. Degering in Schloss Dyck bij Neuss een handschrift, bevattend Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant en Vanden vos Reynaerde, dat sindsdien als het Dyckse handschrift bekend staat. In een map met ongeïdentificeerde fragmenten, berustend in de Universiteitsbibliotheek te Lund, ontdekte E. Rooth in 1926 een dubbel blad met fragmenten van minneliederen. In 1927 vond W. Goossens in een boekband uit de bibliotheek van baron Erp te Baarlo twee bladen uit een handschrift met een prozavertaling van de Lancelot en prose (thans hs. Rotterdam, Gemeentebibliotheek, 96 A 7). Ook in de laatste twee decennia zijn nog belangrijke Middelnederlandse handschriften en fragmenten aan het licht gekomen: een handschrift met De mystieke mondkus van Willem Jordaens en de strofische gedichten en de mengeldichten van Hadewijch (thans Antwerpen, Ruusbroec-genootschap, 3851 en 3852); fragmenten van de onverkorte versie van Die riddere metter mouwen (Hasselt, Rijksarchief, fragm. neerl. 1); nieuwe fragmenten van de Limburgse Aiol (Hasselt, Rijksarchief, fragm. neerl. 6); fragmenten van een berijmd Leven van Sint-Trudo en van een prozabewerking daarvan (thans Brussel, Koninklijke Bibliotheek, IV 175 en IV 174); een fragment van de Roman van Florimont ('s-Hertogenbosch, Gemeentearchief); fragmenten van de Roman van Florigout (Leeuwarden, Provinciale Bibliotheek); een fragment van Boeve van Hamtone (Düsseldorf, Landes- und Stadtbibliothek, F 85) en fragmenten van wereldlijke liederen met muzieknotatie (Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 2720). Een bijzondere vermelding als ontdekker van Middelnederlandse
handschriften verdient W. de Vreese († 1938). Systematisch doorzocht hij een groot aantal openbare bibliotheken en particuliere verzamelingen, niet alleen in België en Nederland, maar ook daarbuiten om de aldaar berustende Middelnederlandse handschriften en fragmenten voor zijn groots opgezette Bibliotheca Neerlandica Manuscripta te beschrijven. Bij zijn dood omvatte zijn onvoltooid gebleven levenswerk ca. 11.000 beschrijvingen, echter ongelijk van waarde, daar een aantal ervan kennelijk een voorlopig karakter vertoont. Ofschoon de Bibliotheca Neerlandica Manuscripta, die thans in de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Leiden berust, door de beheerders, vooral door G.I. Lieftinck en R. Lievens, geregeld is aangevuld, dient zij met het oog op een eventuele uitgave grondig nagezien en bijgewerkt te worden. Voor de Middelnederlandse handschriften in Oost-Europa is zulks al gedaan door R. Lievens, die in 1963 op grond van de aantekeningen van Willem de Vreese een catalogus van de Middelnederlandse handschriften in Oost-Europa publiceerde. R. Lievens heeft de aantekeningen van Willem de Vreese bijgewerkt, de teksten zoveel mogelijk geïdentificeerd en bij elk handschrift de literatuur opgegeven. |