3. Renout van MontalbaenRenout van Montalbaen, bewerkt naar Renaus de Montauban, Westmiddelnederlands, ca. 1360.Perkament; 12 bll.; blad oorspronkelijk ca. 285 × ca. 215 mm (sommige marges echter afgesneden, meestal echter zonder tekstverlies), bladspiegel 214 à 222 × 140 à 150 mm; 2 kol., 50 rr. per kol. Eén hand (littera textualis). Rode lombarden; beginletters van de verzen in een aparte kolom en op sommige bladzijden rood doorstreept; sommige beginletters van de kolommen, alsook enkele lange letters in de bovenste regel van de kolommen, groot geschreven en met grotesken versierd.
Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. fol. 751, 1-10 (10 bll.) en 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 133 L 11 (2 bll.).
De roman Renout van Montalbaen of De vier Heemskinderen, bewerkt naar een verloren versie van Renaus de Montauban, is slechts fragmentarisch bewaard gebleven. Daarin worden de lotgevallen verhaald van Ritsaert, Writsaert, Adelaert en Renout, de vier zonen van Haymijn en Aye, een zuster van Karel Martel. Zij werden door hun moeder buiten het weten van hun vader opgevoed, die de dood van Karel Martels maagschap had gezworen en dus ook van zijn eigen kinderen, daar hij met Karel Martels zuster was gehuwd. Aye wist echter de verzoening tussen Aymijn en zijn zonen te bewerken, die door hun vader tot ridder werden geslagen. De vier broeders werden vogelvrij verklaard, nadat
Renout Lodewijk, Karel Martels opvolger, had gedood. Na een strijd met wisselende kansen, waarvan de belegering van het slot Montalbaen een hoogtepunt vormde, kon Aye een verzoening tussen Karel Martel en de vier broeders tot stand brengen, mits het ros Beyaert, een wonderpaard zo groot dat de broeders het samen konden berijden, met molenstenen aan de poten in de Maas werd verdronken. Renout trok daarna naar Palestina om de Sarazenen te bestrijden en ging meewerken aan de bouw van de Sint-Pieterskerk te Keulen, waar hij uit nijd door medearbeiders werd gedood. De boven beschreven Berlijnse en Haagse fragmenten, resp. 10 en 2 bladen, hebben tot hetzelfde handschrift behoord en bevatten samen ca. 2400 verzen. De Berlijnse fragmenten hebben aan H. Hoffmann von Fallersleben (1798-1874) toebehoord. Op 20 juni 1820 kreeg hij twee bladen (blad 6 en 7) en later nog vier bladen (blad 3, 4, 9 en 10) ten geschenke van Ludwig Tross (1795-1864) te Hamm in Westfalen. In 1821 maakte hij zijn vondst bekend en publiceerde enkele verzen. In 1824 publiceerde W. Bilderdijk de zes bladen volgens een afschrift dat hem door Hoffmann was bezorgd. Uiterlijk op 15 februari 1825 kreeg Hoffmann door ruiling (met L. Tross?) nog vier bladen van hetzelfde handschrift in zijn bezit (blad 1, 2, 5 en 8). In 1837 publiceerde hij alle bladen, behalve blad 8 dat misschien tijdelijk zoek was. Op 16 juli 1850 verkocht hij de tien bladen, samen met een groot deel van zijn bibliotheek, aan de Königliche Bibliothek, later Preussische Staatsbibliothek, te Berlijn. In 1875, 1939 en 1966 werden de Berlijnse fragmenten resp. door J.C. Matthes, P.J.J. Diermanse en D. van Maelsake opnieuw in het licht gegeven. De twee Haagse bladen, tot nog toe onuitgegeven, werden in 1937 door de Koninklijke Bibliotheek van het Londense antiquariaat Martin Breslauer gekocht. Behalve de Berlijnse en de Haagse fragmenten zijn in de hss. Riga, Stadsbibliotheek, 3 en Stockholm, Archief van de Academie voor Wetenschap, Geschiedenis en Oudheidkunde kleine fragmenten van andere handschriften bewaard gebleven. Een fragment dat door E. van Even te Leuven werd ontdekt en in 1903 door N. de Pauw werd in het licht gegeven, is verloren gegaan of althans tot dusver niet teruggevonden. Een fragment van een Middelnederduits afschrift is in hs. Boedapest, Nationaal Museum, fol. germ. 1215 (Cod. germ. Med. Aevi 50) bewaard gebleven. Een
Duitse vertaling is in de hss. Heidelberg, Universiteitsbibliothek, Pal. germ. 340 en 399 overgeleverd. Onder de titel Dit is de historie van den vier Heemskinderen is Renout van Montalbaen als prozaroman of volksboek bewerkt. De oudste of althans oudst bekende druk daarvan is in 1508 bij Jan Seversoen te Leiden verschenen (Nijhoff-Kronenberg, 3162).
Bonner Bruchstücke vom Otfried nebst anderen deutschen Sprachdenkmälern. Herausgegeben durch H. Hoffmann von Fallersleben, Bonn, 1821, p. XIII en 21-23; H. Hoffmann von Fallersleben, Over de oude Hollandsche letterkunde, Algemeene Konst- en Letterbode, 1 (1821), II, p. 312-313; W. Bilderdijk, Nieuwe taal- en dichtkundige verscheidenheden, I, Rotterdam, 1824, p. 111-198; H. Hoffmann von Fallersleben, Lantsloot ende die scone Sanderijn. Renout van Montalbaen, Breslau, 1837, p. 45-124 (Horae Belgicae, 5); W. Bisschop, Onuitgegeven fragment der Middelnederlandsche vertaling van den roman der Vier Heemskinderen, Handelingen en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, 1866, p. 88-95; Renout van Montalbaen, met inleiding en aanteekeningen door J.C. Matthes, Groningen, 1875; H.E. Moltzer, Het MSS. Germ. fol. 751 van de Berlijnse boekerij, Tijdschrift voor Nederlandsche Taalen Letterkunde, 5 (1885), p. 290-305; Middelnederlandsche gedichten en fragmenten, uitgegeven door N. de Pauw, II. Wereldlijke gedichten, Gent, 1903, p. 108-111; M. Loke, Les versions néerlandaises de Renaud de Montauban. Etudiées dans leurs rapports avec le poème français, Toulouse, 1906; L. Arbusow, Ein Fragment vom mittelniederländischen ‘Renout van Montalbaen’ in der Rigaschen Stadtbibliothek, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 41 (1922), p. 24-30; Renout van Montalbaen. De Middelnederlandsche fragmenten en het Middelnederduitsche fragment. Uitgegeven en toegelicht door P.J.J. Diermanse, I. Inleiding en teksten, Leiden, 1939; De historie van den vier Heemskinderen. Uitgegeven naar de druk van 1508, berustende op de Universiteitsbibliotheek te München door G.S. Overdiep, Groningen-Den Haag, 1931; R. Pennink, Een onbekend fragment van Renout van Montalbaen, Het Boek, 25 (1938-1939), p. 66-67; M.A. Muusses, Een in Zweden ontdekt fragment van Reinout van Montalbaen, Bundel opstellen van oud-leerlingen, aangeboden aan Prof. Dr. C.G.N. de Vooys ter gelegenheid van zijn vijfentwintigjarig hoogleraarschap aan de Rijksuniversiteit te Utrecht, Groningen-Batavia, 1940, p. 258-262; Renout van Montalbaen. Uitgegeven, ingeleid en verklaard door D. van Maelsaeke, Antwerpen, 1966 (Klassieke Galerij, 156). |