4. Aiol

Aiol, bewerkt naar Aiol et Mirabel, Limburgse bewerking, fragmenten (Limburg, misschien Rijkhoven, Oude Biezen), ca. 1220-1240.

Perkament; 4 volledige bll. en fragmenten (soms slechts snippers) van 16 bll.; blad en bladspiegel resp. 207 × 146 mm en 154 × 100 mm, één kol., 22 rr. per kol. Vijftiende-eeuwse foliëring met zwarte, thans verbleekte, Romeinse cijfers op

[p. 26]

de versozijde. Eén hand (littera textualis). Rode lombarden; verzen doorlopend als proza geschreven, maar door een rijmpunt van elkaar gescheiden; de verzen beginnen met een kleine letter behalve die in het begin van een kapittel, die met een lombarde aanvangen.

 

Pl. 4

 

Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 1049 (3 volledige bll. en fragmenten van 12 bll.) en Hasselt, Rijksarchief, fragm. neerl. 6 (1 volledig blad en fragmenten van 4 bll.).

 

 

In het begin van de 13de eeuw werd de Franse ridderroman Aiol en Mirabel in het Limburgs bewerkt. Van die Limburgse bewerking zijn 24 fragmenten (ca. 750 verzen) aan het licht gekomen, die alle tot hetzelfde handschrift hebben behoord. Een aantal fragmenten zijn slechts knipsels of snippers, waarop niet meer dan een paar woorden of enkele letters voorkomen. Het Franse origineel telt 10.985 verzen. Geheel de Franse roman werd in het Limburgs bewerkt, maar de bewerker heeft de Franse tekst door kleinere uitlatingen en door weglating van bijzonderheden voortdurend bekort. Toch was de Limburgse bewerking niet zoveel korter dan het Franse origineel, omdat de bewerker veelal twee vierheffings-verzen nodig had om één Frans tien- of twaalflettergrepig vers weer te geven. Misschien is het handschrift, waartoe de fragmenten hebben behoord, in Oude Biezen, de landkommanderij van de Duitse Orde in Rijkhoven bij Bilzen, geschreven, maar dan door een kopiist, die niet uit die streek, maar uit de buurt van Venlo afkomstig was, zoals uit de taal van de bewaarde fragmenten blijkt. Vermoedelijk is de tijdruimte tussen het verloren Limburgse origineel en het afschrift, waartoe de fragmenten hebben behoord, niet zo groot geweest.

De fragmenten van de Limburgse Aiol werden op verschillende plaatsen en tijdstippen ontdekt. In 1858 publiceerde F. Deycks (1802-1867), professor aan de universiteit te Münster, onder de titel Makaris twee fragmenten, die hem door een priester uit Xanten waren geschonken (Leiden, B.P.L. 1049, fragment 3 en 4). In 1863 ontdekte baron Camille de Borman de Schalkhoven (1837-1922) bij een boer te Vliermaal een gichtboek van de Schepenbank van Diepenbeek. Als rugversterking van dat register dienden twee fragmenten, die hij ter uitgave aan J.H. Bormans (1801-1878), professor aan de universiteit te Luik, afstond (Leiden, B.P.L. 1049, fragment 1 en 2). In 1863 gaf J.H. Bormans deze laatste fragmenten in het licht, samen met de twee fragmenten,

[p. 27]

die F. Deycks in 1858 had uitgegeven en die hem door deze laatste waren geschonken. Of een fragmentje dat J.H. Bormans in voornoemde uitgave eveneens publiceerde, hem door F. Deycks of door C. de Borman de Schalkhoven was geschonken, is niet meer uit te maken (Leiden, B.P.L. 1049, fragment 15). Negen fragmenten, waarvan vroeger werd aangenomen dat zij na 1863 door F. Deycks aan J.H. Bormans waren geschonken, zijn aan deze laatste door G.D.L. Franquinet (1826-1902), archivaris te Maastricht, bezorgd, zoals in een onlangs teruggevonden brief van J.H. Bormans aan M. de Vries te lezen staat (Leiden, B.P.L. 1049, fragment 5-14). In oktober 1878 schonk St. Bormans, zoon van J.H. Bormans, 11 van de 15 fragmenten van de Limburgse Aiol, die aan zijn vader hadden toebehoord, aan de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Leiden. Het jaar daarna voegde hij daar nog de 4 overblijvende fragmenten aan toe. De Leidse fragmenten 1-12 en 15 werden in 1881 en 1882, dus tweemaal, door J. Verdam in het licht gegeven; de fragmenten 13 en 14, waarop slechts enkele letters voorkomen, beschouwde hij als onbeduidend.

In 1953 werden in het Rijksarchief te Hasselt 9 fragmenten van de Limburgse Aiol ontdekt. Zij dienden als rugversterking van of als touwtjes in dunne registertjes van de kommanderij Bernissem te Sint-Truiden, een onderhorige kommanderij van de Landkommanderij Oude Biezen. Tegelijk met die 9 fragmenten werden in het Rijksarchief te Hasselt de registertjes teruggevonden, waarin de Leidse fragmenten 3-14 (15) jaren geleden zijn ontdekt. Ook die registertjes hebben aan Bernissem toebehoord. Wie de geschiedenis van het archief van Oude Biezen kent, waartoe ook het archief van Bernissem en andere onderhorige kommanderij en behoort, zal zulks niet verwonderen. Het archief van Oude Biezen berustte van 1832 tot 1926 in het Provinzialarchiv (thans Haupt-staatsarchiv) te Düsseldorf en van 1926 tot 1953 in het Rijksarchief te Maastricht. Sedert 1953 bevindt het zich ten gevolge van een uitwisseling van archiefstukken tussen België en Nederland in het Rijksarchief te Hasselt. De Leidse fragmenten 3-14 (15) zijn dus in het archief van Bernissem ontdekt, toen dat zich nog in het Provinzialarchiv te Düsseldorf bevond. In 1966 zijn de Hasseltse fragmenten van de Aiol, samen met de Leidse, door J. Deschamps en M. Gysseling in het licht gegeven.

 

F. Deycks, Carminum epicorum germanicorum saeculi XIII, et XIIII. fragmenta, quae ad sacra saecularia tertia conditae ab Iohanne Friderico Magnanimo universitatis

[p. 28]

litterarum Ienensis DD. XV. XVI. XVII. M. Augusti A. MDCCCLVIII pie celebranda auctoritate rectoris et senatus Academiae Regiae Monasteriensis, Müunster, 1858, p. 32-39; J.H. Bormans, Fragment d'une ancienne traduction ou imitation en vers thiois de la chanson de geste d'Aiol. Extrait de la partie correspondante du texte encore inédit de l'original roman. Notes philologiques sur les deux textes, Bulletins de l'Académie royale des sciences, des letters et des beaux-arts de Belgique, 32 (1863), p. 177-275, ook als overdruk met gewijzigde titel en afzonderlijke paginering: Fragments d'une ancienne version thioise de la chanson d'Aiol, suivis d'un extrait du texte inédit du poëme français et d'annotations, z.p., z.j.; E.W.L. Eyssonius Wichers, Over den ‘Aiol’, De Dietsche Warande, 7 (1866), p. 447-456; W. Bisschop, De Roman d'Aiol, De Dietsche Warande, 7 (1866), p. 457-468; J. Normand et G. Raynaud, Aiol. Chanson de geste, publiée d'après le manuscrits unique de Paris, Parijs, 1877, p. XXXVI-XXXVII (Société des anciens textes français); J. Verdam, Die Fragmente des mittelniederländischen Aiol, in W. Förster, Aiol et Mirabel und Elie de Saint Gille. Zwei altfranzösische Heldengedichte mit Anmerkungen und Glossar, Heilbronn, 1876-1882, p. 522-542, ook als overdruk met afzonderlijke paginering: Altenburg, 1881; J. Verdam, Reeds bekende Aiol-fragmenten, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 2 (1882), p. 255-287, overgedrukt in Oude en nieuwe fragmenten van den Middelnederlandschen Aiol, Leiden, 1883, p. 47-79; J.H. Kern, Collatie van de Limburgse Aiol-fragmenten, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 11 (1892), p. 213-224; A. Van Loey, Middelnederlands leerboek, Antwerpen, 1947, p. 4, 6, 8 en 10; [J. Deschamps], Tentoonstelling van Middelnederlandse handschriften uit beide Limburgen. Catalogus, Hasselt 17 juli-25 augustus 1954, p. 14-16, nr. 4 en 5; J. Deschamps, De Limburgse Aiolfragmenten, Handelingen van het 21ste Vlaams Filologencongres, Leuven, 12-14 april 1955, p. 231-235; J. Deschamps, De Limburgse Aiolfragmenten, Spiegel der Letteren, 1 (1956-1957), p. 1-17; J. Deschamps en M. Gysseling, De fragmenten van de Limburgse Aiol, Studia Germanica Gandensia, 8 (1966), p. 9-71; M. Gysseling, De Limburgse teksten in de volkstaal uit de 12de en de 13de eeuw, Album Dr. M. Bussels, Tongeren, 1967, p. 295-301; M. Gysseling, De aanvang van de Middelnederlandse geschreven literatuur, Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1968, p. 132-144; J. van Cleemput, Proeve van datering van de Aiol-fragmenten, Wetenschappelijke Tijdingen, 28 (1969), kol. 261-276; G. De Smet, Oostmaaslandse epische poëzie rond 1200, Wetenschappelijke Tijdingen, 28 (1969), kol. 349-362.