14. Het Oudenaardse rijmboekHet Oudenaardse rijmboek, fragmenten, Oost-Vlaanderen (Ename bij Oudenaarde), ca. 1300.Perkament; 24 besnoeide bll., evenwel zonder of met gering tekstverlies, en 9 onvolledige bll.; blad oorspronkelijk ca. 290 × 225 mm, thans nog 270 à 280 × 205 à 212 mm; bladspiegel 212 à 230 × 165 à 170 mm; 2 kol., 30 à 34 rr. per kol. Oude foliëring met zwarte Romeinse cijfers midden in de bovenste marge. Eén hand (littera textualis formata), behalve correcties door twee andere handen (littera textualis). Rood-blauwe initialen, binnenin met rode en blauwe motieven versierd; naast de initialen blauw-gouden regelvullingen; rode of afwisselend rode en blauwe lombarden; rode titels; beginletters van de verzen in een aparte kolom en afzonderlijk rood doorstreept.
Oudenaarde, Stadsbibliotheek, 5576 (32 bll.). Oxford, Bodleian Library, Douce 381 (1 bl.).
Het verzamelhandschrift dat we ‘het Oudenaardse rijmboek’ plegen te noemen, telde oorspronkelijk ten minste 257 bladen, waarvan er slechts 33 bladen bewaard zijn gebleven, die fragmenten van 12 verschillende dichtwerken, samen ca. 3000 verzen, bevatten. Die dichtwerken zijn, in de orde waarin ze volgens de bewaarde foliëring in de codex voorkwamen: 1. Vander zielen ende vanden lichame (fol. 60), bewerkt naar de Visio Philiberti, toegeschreven aan Walter Map, eveneens volledig bewaard in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.589-623 en fragmentarisch in hs. Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1590; 2. Van onser vrouwen lof (fol. 62?); 3. Van onser vrouwen geslacht (fol. 62?); 4. Van sente Caterine (fol. 101); 5. Vanden levene ons heren (fol. 117?, 123, 124, 128 en 131?), volledig bewaard in hs. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 5 F 12 en fragmentarisch in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19.572, II 5580 en IV 209, 7; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 71 K 37 en 133 D 21; Groningen, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 405 en Londen, British Museum, Add. 34.392; 6. Van sente Eustaes (fol. 154, 155 en 161); 7. Van sente Aechte (fol. 165, 166, 169, 170, 179, 181 en 184); 8. Van sente Waerneer (fol. 184 en 186); 9. Van sente Marie Egyptiake ende Zosimus (fol. 224, 225, 227, 238, 240 en 243); 10. De boec vander biechten (fol. 243 en 248); 11. De boec van
J. van Mierlo schreef alle dichtwerken, die in het Oudenaardse rijmboek voorkomen, aan Martijn van Torhout toe. Hij beschouwde die codex als een verzamelhandschrift, waarin de benedictijnen van Ename de gedichten van hun ordebroeder bewaarden. In feite is het Oudenaardse rijmboek een verzamelhandschrift, dat werken van verschillende dichters o.a. van Martijn van Torhout bevat. Slechts De boec vander biechten is blijkens de kolofon met zekerheid door Martijn van Torhout geschreven. Van sente Aechten en Van sente Marie Egyptiake en Zosimus zijn resp. in 1286 en 1290 door een monnik uit de abdij van Ename gedicht. Andere vaststaande feiten bevatten de bewaarde verzen niet. Toch is het waarschijnlijk dat de heiligenlevens in het rijmboek het werk zijn van dezelfde dichter. Het bestaan van de 32 bladen uit het Oudenaardse rijmboek, die eigendom zijn van de Stadsbibliotheek te Oudenaarde, maar thans in het Stadsarchief van deze stad worden bewaard, werd in 1839 door D.J. vander Meersch (1789-1863), een Oudenaards geneesheer en historicus, bekendgemaakt. Hij had ze, in het Stadsarchief te Oudenaarde en elders, losgemaakt van registers, die tussen 1528 en 1534 in de boekbinderij van het augustinessenklooster Sion te Oudenaarde waren gebonden. Reeds in 1808 had M.J. De Bast (1753-1825), een Gents oudheidkundige, er de aandacht op gevestigd dat er zich in het Oudenaards stadhuis een poortersboek bevond, in de band waarvan er twee bladen uit het hier besproken handschrift zaten. Het Oxfordse blad werd door F. Douce († 1834), samen met zijn handschriften en boeken, aan de Bodleian Library geschonken. Algemeen wordt aangenomen dat het Oudenaardse rijmboek in de abdij van Ename is tot stand gekomen, waarschijnlijk omdat Van sente Aechten en Van sente Maria Egyptiake ende Zosimus door een monnik uit die abdij zijn gedicht.
Doorslaande bewijzen dat het in die abdij is geschreven, zijn evenwel niet voorhanden.
J. De Bast, Recueil d'antiquités romaines et gauloises, trouvées dans la Flandre proprement dite, avec désignation des lieux où elles ont été découvertes. Nouvelle édition, Gand, 1808, p. 8 en 9, voetnoot 3; D.J. van der Meersch, Verslag wegens een rymboek van Martyn van Thorout, uit de XIIIe eeuw, Belgisch Museum, 3 (1839), p. 197-218; De boec van Catone, een Dietsch leerdicht, uit het Latyn, naer een handschrift van het einde der XIIIe eeuw, [uitgegeven door D.J. van der Meersch], Gent, [1846]; D.J. van der Meersch, Van den levene ons Heren. Fragmenten van een hs. uit het laetste der XIII eeuw, Het Taelverbond. Geschiedenis, Tael- en Oudheidkunde, 1854, p. 170-205; D.J. van der Meersch, Uitboezeming tot de H. Moeder Gods, Het Taelverbond. Geschiedenis, Tael- en Oudheidkunde, 1854, p. 237-239; De ‘Disticha Catonis’ in het Middelnederlandsch door A. Beets, Groningen, 1885, p. 13-14 en passim; Die bouc van seden. Een Middelnederlandsch zedekundig leerdicht, na Kausler, volgens het Comburger handschrift opnieuw uitgegeven en toegelicht door W.D. Suringar, Leiden, 1891, p. 34-45; Middelnederlandsche gedichten en fragmenten, uitgegeven door N. de Pauw, I, 1893, p. 290-405; R. Priebsch, Deutsche Handschriften in England, I, Erlangen, 1896, p. 181, nr. 177 en p. 330-333, nr. 177; Vanden leven ons Heren. Inleiding met kritiese kommentaar en uitgave van alle teksten door W.H. Beuken, Purmerend, 1929, p. 51, 52, 80-82, 202-207, 235-248, 255-263 en 279-281; J. van Mierlo, Martijn van Torhout. Een nieuw dichter van beteekenis uit de dertiende eeuw, Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1938, p. 331-375; W.H. Beuken, Het auteurschap van het Rijmboek van Audenaerde, Album Philologicum voor Prof. Dr. Th. Baader, Tilburg, 1939, p. 149-156; J. van Mierlo, Het auteurschap van Martijn van Torhout voor de gedichten uit de Oudenaardsche codex gehandhaafd, Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1939, p. 513-523; J. van Mierlo, Een geestelijk lied uit de XIIIe eeuw, Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1941, p. 303-319; P. de Keyser, De legende van S. Werner. De uitgave van ‘Van Sente Waerneer’ in het licht van de briefwisseling Nap. de Pauw-Guido Gezelle, Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1963, p. 209-255; Vanden levene ons Heren. Uitgegeven, ingeleid en toegelicht door W.H. Beuken, Zwolle, 1968, I, p. 5-6, 45-50, 74-84, 90-97 en 110-116; II, p. 21-26, 47-49 en 112-119 (Zwolse Drukken en Herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 60 A en 60 B). |