17. Willem van Affligem, Leven van de H. LutgardWillem van Affligem, Leven van Sint-Lutgard, tweede en derde boek, bewerkt naar Thomas van Cantimpré, Vita piae Lutgardis, West-Limburg (Sint-Truiden?), ca. 1300.Perkament; 356 bll.; blad en bladspiegel 193 × 133 mm en 125 à 135 × 70 mm. Moderne potloodfoliëring. Drie handen (littera textualis formata): de eerste hand schreef fol. 2ro-3r0 en 252ro-253ro, de tweede fol. 4ro-23vo, de derde fol. 24ro-252ro en 256ro-355vo. Opengewerkte rood-blauwe initalen met rood en blauw penwerk,
rode titels. Drie miniaturen, resp. voorstellend: 1. een benedictijn (Willem van Affligem) zijn dichtwerk voordragend, met zijn linkerhand gebarend en met zijn rechterhand een rol perkament vasthoudend (fol. 1vo); 2. de H. Lutgard op haar sterfbed, op de achtergrond acht cisterciënzerinnen, van wie twee een boek openhouden (fol. 254vo) en 3. een benedictijn (Willem van Affligem), biddend tot de H. Lutgard, die hem vanuit het hemelvenster een gouden kroon op het hoofd zet, terwijl twee engelen de vensterluiken openhouden (fol. 255ro). Op fol. 356vo: (Obiit) Lutgardis .XVI. kalendis Julii. Et sunt elapsi anni .XXVII. (bedoeld wordt 1274, daar de H. Lutgard in 1246 overleed). Op fol. 1ro, bovenaan: Dit boec hoert den brueders vanden roeden cloestere toe te sente pauwels in zonien. Negentiende-eeuwse kartonnen band met bruin lederen rug en hoeken.
Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek, Ny kgl. Saml. 168, 43.
Alle Middelnederlandse berijmde heiligenlevens worden in de schaduw gesteld door het Leven van Sint-Lutgard, dat in 1274 door Willem van Affligem werd voltooid. Willem van Affligem werd omstreeks 1210 uit het adellijk en aanzienlijk geslacht der Berthouts te Mechelen geboren. Op jeugdige leeftijd trok hij naar Parijs om aldaar aan de universiteit te studeren. Na zijn terugkeer trad hij in de beroemde benedictijnenabdij van Affligem bij Aalst, waar hij enkele jaren later tot prior werd verheven. In 1272 werd hij tot abt van de abdij van Sint-Truiden verkozen. Hij overleed in 1297. Zijn Leven van Sint-Lutgard bestond uit drie boeken, waarvan slechts het tweede en het derde boek, alleen in het hier besproken handschrift, bewaard zijn gebleven. In dat enig overgebleven handschrift wordt nergens de naam van Willem van Affligem vermeld, maar dat hij wel degelijk de dichter van dit Leven van Sint-Lutgard is, weten we uit de Catalogus virorum illustrium van pseudo-Hendrik van Gent: Frater Willelmus monachus Haffligeniensis et ibidem aliquando prior vitam dominae Lutgardis a fratre Thoma Latine scriptam, convertit in Theutonicum ritmice, duobus sibi semper ritmis consonantibus. Als bron gebruikte hij de Vita piae Lutgardis van Thomas van Cantimpré, maar dit werk was hem slechts een leidraad, want hij schiep zo'n behagen in de stof dat hij vaak enkele regels uit zijn bron tot 500 à 600 verzen ontwikkelde. Zo is de betrekkelijk korte Vita piae Lutgardis van Thomas van Cantimpré een uitvoerig dichtwerk geworden, waarvan het tweede boek 14.544 en het derde boek 5862 verzen telt. In de kroniek van de abdij van Sint-Truiden wordt Willem van Affligem een ‘bonus rhythmicus’ genoemd. Zijn werk
is niet, zoals al de andere Middelnederlandse dichtwerken, in vierheffingsverzen, maar in jambische verzen geschreven. Het hier besproken handschrift werd omstreeks 1300 geschreven, waarschijnlijk in de abdij van Sint-Truiden, waarvan Willem van Affligem abt is geweest. Blijkens een eigendomsmerk behoorde het later toe aan Rooklooster, een priorij van reguliere kanunniken van de H. Augustinus te Oudergem bij Brussel. In 1897 werd het door F. van Veerdeghem (1849-1932), professor aan de universiteit te Luik, in de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen ontdekt, waar het toen al een zeventigtal jaren onopgemerkt had berust. Op fol. 1ro is een strookje papier met het cijfer 25 geplakt, waaruit wellicht blijkt dat het door de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen op een veiling is gekocht.
C. Bruun, De illuminerede haandskrifter fra middelalderen i Det Kongelige Bibliothek, Kopenhagen, 1890, p. 116-117; F. van Veerdeghem, Willem van Afflighem's Sinte Lutgart, Bulletins de l'Académie royale de Belgique, 3e Série, 34 (1897), p. 1055-1086; F. van Veerdeghem, Leven van Sinte Lutgart, tweede en derde boek, Leiden, 1899; J. Franck, Aus dem Wortschatz der Kopenhagener St. Lutgart, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 22 (1903), p. 285-291; D.A. Stracke, Iets over punctuatie in Middelnederlandsche dichtwerken, Leuvensche Bijdragen, 9 (1910), p. 213-243; D.A. Stracke, Een Lutgartcollatie, Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1927, p. 853-873; J. van Mierlo, Willem van Affligem en het Leven van Jesus en het Leven van Sinte Lutgart, Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1935, p. 775-915; J. van Mierlo, Het Leven van Sinte Lutgart oorspronkelijk Limburgsch? Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1936, p. 627-643; J. van Mierlo, Geestelijk eptek der middeleeuwen, Brussel, 1939, p. 101-159; D.A. Stracke, Over den berijmer der Kopenhaagsche Lutgart, Ons Geestelijk Erf, 20 (1946), p. 50-101; W.H. Beuken, Lutgart-problemen, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 66 (1949), p. 11-22, 98-111; Gyllene böcker, Illuminerade medeltida handskrifter i dansk och svensk ägo, Stockholm, Nationalmuseum, mei-september 1952, p. 41, nr. 52; [J. Deschamps], Tentoonstelling van Middelnederlandse handschriften uit beide Limburgen. Catalogus, Hasselt, Provinciale Bibliotheek, 17 juli-25 augustus 1954, p. 16-17, nr. 7; G.I. Lieftinck, Middelnederlandse handschriften uit beide Limburgen, Tijdschrift voor Nederlandse Taalen Letterkunde, 72 (1954), p. 190-200; G. Hendrix, Willem van Affligems auteurschap van het Leven van Lutgart, getoetst aan het hoofdstuk-Thimere, Ons Geestelijk Erf, 40 (1966), p. 343-349; J. Aerts, Ridder Thimerus van Rogenier uit de Vita S. Lutgardis, Ons Geestelijk Erf, 43 (1969), p. 316-323; G. Hendrix, Naschrift bij de mededeling van J. Aerts, Ons Geestelijk Erf, 43 (1969), p. 323-325; J. Aerts, Opmerking bij het naschrift van G. Hendrix, Ons Geestelijk Erf, 43 (1969), p. 325-326; N. Häring, Der Literaturkatalog von Affligem, Revue Bénédictine, 80 (1970), p. 95. |