[p. 66]

18. Broeder Geraert, Dat leven sinte luthgards; Broeder Geraert, Sinte kerstinen heilege leven

Broeder Geraert, Dat leven sinte luthgards en Sinte kerstinen heilege leven, resp. bewerkt naar Thomas van Cantimpré, Vita piae Lutgardis en Vita Christinae Mirabilis, Zuidwest-Limburg (Sint-Truiden), ca. 1370.

 

Pl. 20

 

Perkament; 117 bll. benevens fragmenten van 3 bll. en 51 knipsels (hartvormige bladwijzertjes); blad en bladspiegel resp. 166 × 177 mm en 113 × ca. 85 mm; 1 kol., 23 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring. Eén hand (littera textualis). Roodblauwe initialen met rood en blauw penwerk; afwisselend rode lombarden met blauw en blauwe lombarden met rood penwerk; rode titels en paragraaftekens; beginletters van de verzen in een aparte kolom en in het Lutgard-gedeelte in het begin van een zin rood doorstreept. Een aantal bladen in de rug doorgesneden, soms met enig tekstverlies. Voor en achter ontbreken bladen. Niet gebonden.

 

Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, I G 57 en I G 56.

 

 

Broeder Geraert, een minderbroeder, bewerkte het leven van Christina van Sint-Truiden, genaamd de Wonderbare (1150-1224) en dat van de H. Lutgard van Tongeren (1182-1246) in Dietse verzen, resp. naar de Vita piae Lutgardis en de Vita Christinae mirabilis van Thomas van Cantimpré. Sinte kerstinen heilege leven en waarschijnlijk ook Dat leven sinte luthgards berijmde hij op verzoek van Maria van Hoye, die tussen 1359 en 1380 ‘cellarierster’ of econome van de benedictinessenabdij Nonnemielen te Sint-Truiden is geweest. Geen van beide dichtwerken is volledig overgeleverd, daar er in het handschrift bladen ontbreken: van Dat leven sinte luthgards zijn ca. 3800 en van Sinte kerstinen heilege leven 1949 verzen bewaard gebleven. Dat een benedictines uit Nonnemielen Broeder Geraert verzocht die levens in de landstaal over te brengen, hoeft ons niet te verwonderen, daar zowel Christina de Wonderbare als de H. Lutgard van Tongeren een deel van hun leven in de abdij van Nonnemielen hebben doorgebracht. Vermeldenswaard is ook dat in het Middelnederlands nog een prozavertaling van de Vita Christinae Mirabilis van Thomas van Cantimpré heeft bestaan, die in de hss. Düsseldorf, Hauptstaatsarchiv, G V 1 (olim A 234); Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 1211 en Würzburg, Universiteitsbibliotheek, ch. q. 144 bewaard is gebleven.

Het hier besproken handschrift dat aan de abdij van Nonnemielen heeft toebehoord, is waarschijnlijk het manuscript dat Broeder Geraert aan Maria van Hoye heeft aangeboden. Toen de abdij van Nonnemielen in 1796 werd opgeheven, werd het door de zusters,

[p. 67]

die het bijzonder op prijs stelden, uit de handen van de Fransen gered. Régine de Musiel, de laatste benedictines van Nonnemielen, die op 28 september 1836 op 83-jarige leeftijd in het kasteel van Nieuwerkerken overleed, vermaakte het handschrift aan het klooster te Kolen, toen bewoond door Franse zusters. Die zusters, die de waarde ervan niet beseften, hadden reeds enkele bladen tot hartvormige bladwijzertjes verknipt, toen een zekere Aerts, een Sint-Truidense schilder, het in ruil voor lijm en behangpapier in zijn bezit kreeg. Door toedoen van een gemeenschappelijke vriend stond hij het af aan J.H. Bormans (1801-1878), een geboren Sint-Truidenaar, professor aan de universiteit te Luik, die het leven van Christina de Wonderbare in 1850 en het leven van de H. Lutgard in 1857-1858 in het licht gaf. Door bemiddeling van J. Verdam schonk S. Bormans, zoon van J.H. Bormans, het handschrift, samen met een aantal Middelnederlandse fragmenten, die aan zijn vader hadden toebehoord, aan de Universiteitsbibliotheek te Amsterdam.

 

C.P. S[errure], [Bericht over de ontdekking van een handschrift met het leven van Christina de Wonderbare en het leven van de H. Lutgard], Kunst- en Letterblad, 1 (1840), p. 80, kol. 2; J.H. Bormans, Ontdekking, lotgevallen, nadere beschrijving en een paer uittreksels van 't HS. bevattende de ouddietsche berijming der levens van de H. Lutgardis en de H. Christina, De Middelaer of Bijdragen ter bevordering van tael, onderwijs en geschiedenis, 1 (1840-1841), p. 142-150 en 185-200; 3 (1842-1843), p. 291-304; Leven van Sinte Christina de Wonderbare, in oud-dietsche rijmen, naer een perkementen handschrift uit de XIVde of XVde eeuw, met inleiding, aenteekeningen en andere bijvoegsels, voor de eerstemael uitgegeven door J.H. Bormans, Gent, 1850; J.H. Bormans, Het leven van Sinte Lutgardis, een Dietsch gedicht, ten laetste van de tweede helft der XIVde eeuw, naar het oorspronkelijk handschrift van Broeder Geraert, De Dietsche Warande, 3 (1857), p. 37-67, 132-165 en 285-322; 4 (1858), p. 155-170 en 267-302, ook afzonderlijk Amsterdam, 1857; G. Kalff, Handschriften der universiteitsbibliotheek te Amsterdam, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 9 (1890), p. 162-163; M.B. Mendes da Costa, De handschriften der stedelijke bibliotheek met de latere aanwinsten, Amsterdam, 1902, p. 101, nr. 583 en 584 (Bibliotheek der Universiteit van Amsterdam. Catalogus der handschriften, 2); W. Schmitz, Het aandeel der minderbroeders in onze middeleeuwse literatuur, Nijmegen-Utrecht, [1936], p. 15-18; J. van Mierlo, Geestelijke epiek der middeleeuwen, Brussel, 1939, p. 169-182; L. Ceyssens, Poging om het Leven van Sinte Kerstine chronologisch te situeren, Verslagen en Mededelingen der Koninklijke Vlaamse Academie voor Taalen Letterkunde, 1947, p. 77-94; [J. Deschamps], Tentoonstelling van Middelnederlandse handschriften uit beide Limburgen. Catalogus, Hasselt, Provinciale Bibliotheek, 17 juli-25 augustus 1954, p. 47-49, nr. 66 en 67; Verwijs' Bloemlezing uit de Middelnederlandse dichtkunst, herzien door C.C. de Bruin, III, Zutphen, 1958,

[p. 68]

p. 161-165; J.L.J. Huydts, Sinte Kerstinen heilege leven van Broeder Geraert, Uit de school van Michels. Opstellen aangeboden aan Prof. Dr. L.C. Michels bij zijn afscheid als hoogleraar te Nijmegen op 30 mei 1958, Nijmegen, 1958, p. 45-67; Christina en Kristien, saamgestel deur G.S. Nienaber en A.P. Grové, Kaapstad-Bloemfontein-Johannesburg, [1960].