22. Jacob van Maerlant, Der naturen bloeme; Van den vos ReynaerdeHet Dyckse Handschrift, bevattend Jacob van Maerlant, Der naturen bloeme, bewerkt naar Thomas van Cantimpré, De natura rerum en Willem, Vanden vos Reynaerde, Utrecht, ca. 1375.Perkament; 124 bll. (oorspronkelijk 126, want er ontbreekt een blad tussen fol. 8 en 9 en tussen fol. 14 en 15); blad en bladspiegel resp. 294 à 296 × 211 mm en 195 à 198 × 125 à 140 mm; 2 kol., 40 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring. Eén hand (littera textualis). Een rood-blauwe initiaal met rood en zwart penwerk; rode en blauwe initialen; afwisselend rode en blauwe lombarden; beginletters van de verzen in een aparte kolom, maar niet doorstreept. Oorspronkelijke wit varkensleren band op eiken borden; sporen van twee riemsluitingen; repen leder uit het voorplat weggesneden; rug grotendeels uitgevallen. Op fol. 1ro, in de onderste marge, in een negentiende-eeuwse hand: Augustus Eugenius Comes in Salm et Reifferscheidt.
Schloss Dyck.
Als eerste dichtwerk bevat dit handschrift Der naturen bloeme van Jacob van Maerlant (fol. 1roa-102roa), een natuurkundig handboek in 13 boeken, samen ca. 16.660 verzen, geschreven omstreeks 1270 en opgedragen aan Nicolaas van Cats, heer van Noord-Beveland. De 13 boeken handelen achtereenvolgens over de mens en fabelachtige of mythologische wezens, de viervoeters, de vogels, de zeemonsters, de vissen, de slangen, de insekten, de bomen, de specerijen, de geneeskruiden, de bronnen, de stenen en de metalen. De besproken wezens of voorwerpen zijn volgens hun Latijnse naam alfabetisch gerangschikt. De nadruk ligt op de beschrijving van de wezens of de voorwerpen. Er komen ook zedenkundige bespiegelingen in voor, die echter in verhouding tot het geheel slechts een geringe plaats innemen. Als bron gebruikte Maerlant De natura rerum van Thomas van Cantimpré (1201-ca. 1270), een natuurkundige encyclopedie, die in haar eerste redactie uit 19 en in haar tweede redactie uit 20 boeken bestaat. Hij volgde zijn bron getrouw, maar bekortte de tekst hier en daar en liet boek II (over de ziel) en boek XVI-XX (over chemische en kosmografische onderwerpen) onvertaald. Het is nog niet uitgemaakt, of hij de eerste of de tweede redactie van De natura rerum als bron gebruikte. Hij beschouwde Albertus Magnus en niet diens leerling Thomas van Cantimpré als de schrijver van De natura rerum. In een dertigtal van de 144 thans bekende handschriften van dat werk wordt het aan Albertus magnus toegeschreven. Blijkbaar gebruikte Maerlant dus een handschrift, waarin deze laatste als
auteur wordt genoemd. Behalve in net nier besproken handschrift is Der naturen bloeme nog in de volgende manuskripten bewaard gebleven: Bremen, Stadtbibliothek, Ms. 39; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19.546; Detmold, Lippische Landesbibliothek, Ms. 70; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 76 E 4; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, Bruikleen Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, XVI; Hamburg, Staats- und Universitätsbibliothek, Philol. germ. 19 in scrinio; Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 14A; Londen, British Museum, Add. 11. 390 en Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, 58. 7 Aug. 2o. De hss. Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. fol. 52 en Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 13.440 vormen samen één, zij het nog steeds defekte, codex. Verder zijn er nog een aantal fragmenten van andere handschriften bewaard gebleven o.a. Brugge, Stadsarchief; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, IV 209, 4 en IV 398, 5; Düsseldorf, Landes- und Stadtbibliothek, F 46; Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 2749, 8; Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 179 en 1527, 10-12; Mechelen, Stadsarchief en Nijmegen, Stadsarchief, 11. Als tweede dichtwerk bevat het hier besproken handschrift Vanden vos Reynaerde (fol. 102rob-123rob), een dierenepos, op het einde van de 12de eeuw geschreven door Willem, een Vlaamse ‘clerck’, die te voren een ander, thans verloren werk, Madoc geheten, had geschreven dat toen een zekere bekendheid genoot, daar hij zich ‘Willem die Madocke makede’ noemde. In dit handschrift zijn slechts 3393 in plaats van 3469 verzen overgeleverd. Voor het eerste gedeelte volgde Willem zeer zelfstandig Le Plaid van Perrot de Saint-Cloud; de tweede helft is blijkbaar oorspronkelijk. Vanden vos Reynaerde wordt soms Reynaert I genoemd om het te onderscheiden van Reynaerts historie of Reynaert II, een bewerking van Vanden vos Reynaerde, waaraan nog door de bewerker een vervolg werd toegevoegd. In het kort is de inhoud als volgt. Met Pinksteren houdt Nobel, de leeuw, koning der dieren, hofgericht. Reynaert, de vos, wordt door allerlei dieren aangeklaagd. Hij wordt ten hove gedagvaard en tot de galg veroordeeld. In een openbare biecht vertelt hij over een samenzwering tegen de koning door Bruin, de beer, en Isengrim, de wolf, en over een schat, die door hen is bij elkaar gebracht en te Kriekepitte bij Hulsterlo is verbonden. De koning en de koningin, belust op de schat, schenken
Reynaert vergiffenis. Hij mag op bedevaart naar Rome. Bruin en Isengrim worden in boeien geslagen en moeten een deel van hun huid afstaan om een bedevaarttas voor de loze bedevaarder te vervaardigen. Belijn, de ram, en Cuwaert, de haas, doen Reinaert uitgeleide tot Malpertuus, waar hij afscheid van vrouw en kroost wil nemen. Reinaert bijt Cuwaert het hoofd af, steekt het hoofd in de pelgrimstas en zendt Belijn daarmee naar de koning. Als de koning de tas opent en ziet dat hij door Reynaert lelijk is beetgenomen, ontslaat hij Bruin en Isengrim uit hun boeien. Behalve in het hier besproken handschrift is Vanden vos Reynaerde nog volledig in hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et philol. 22 en fragmentarisch in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, IV 774; Darmstadt, Hessische Landes- und Hochschul-bibliothek, 3321 en Rotterdam, Gemeentebibliotheek, 96 B 5 bewaard gebleven. Het hier besproken handschrift is omstreeks 1375, waarschijnlijk in Utrecht, tot stand gekomen. Het werd pas in 1908 door H. Degering (1866-1942), de latere directeur van de afdeling handschriften van de Preussische Staatsbibliothek te Berlijn, in Schloss Dyck bij Neuss ontdekt.
J.M. Muller, Een nieuw handschrift van den Reinaert, Verslagen en Mededeelingen van de Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1908, p. 109-188; L. Willems, La découverte d'un nouveau manuscrit du Reinaert, Bulletin de la Société d'histoire et d'archéologie de Gand, 16 (1908), p. 125-141; Van den Vos Reynaerde. Nach einer Handschrift des XIV. Jahrh. im Besitze des Fürsten Salm-Reifferscheidt auf Dyck, herausgegeben von H. Degering, Münster i. Westf., 1910; L. Willems, Het nieuwe Reynaert-handschrift, Tijdschrift voor Boek- en Bibliotheekwesen, 8 (1910), p. 97-114; Van den vos Reinaerde. Naar de thans bekende handschriften en bewerkingen, critisch uitgegeven met een inleiding door J.W. Muller, 1914; Van den vos Reynaerde, uitgegeven naar het Comburgse en Darmstadtse handschrift door F. Buitenrust Hettema, naar het Dyckse handschrift door H. Degering, Zwolle, 1921 (Zwolsche Herdrukken, 18); Van den vos Reinaerde. Critisch uitgegeven door J.W. Muller, Leiden, 19443, (Leidsche Drukken en Herdrukken, uitgegeven vanwege de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, Grote reeks, 1); Van den vos Reynaerde, I. Teksten. Diplomatisch uitgegeven naar de bronnen vóór het jaar 1500 door W. Gs. Hellinga, Zwolle, 1952; W. Gs. Hellinga, Naamgevingsproblemen in de Reynaert, Amsterdam, 1952, p. 3, 4 en 19 (Bijdragen en Mededelingen der Naamkunde-commissie van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, 3); A. Panthaleon van Eck-Kampstra, Jacob van Maerlant's ‘Der naturen bloeme’. Twee notities over handschriften, Het Boek, 36 (1963-1964), p. 223; W. en L. Hellinga, De betekenis van de incunabelkunde voor de neerlandistiek, Dietse studies.
Bundel aangebied aan Prof. Dr. J. du P. Scholtz by geleentheid van sy vyf-ensestigste verjaardag, 14 mei 1965, Kaapstad-Pretoria, 1965, p. 52-76; Jacob van Maerlant's Der naturen bloeme. Tentoonstelling (1 oktober 1970-1 februari 1971), Utrecht, Instituut De Vooys, 1970, p. 8-9 (Naar de letter, 4). |