26. Het Gronings-Zutphense handschrift

Het Zutphens-Groningse handschrift, 's-Hertogenbosch, 1339.

Perkament; 3 + 235 bll.; blad 315 × 210 mm; bladspiegel 233 à 235 × 146 mm (fol. 1ro-3ro), 232 × 145 mm (fol. 5ro-12vo), 225 à 230 × ca. 135 mm (fol. 13ro-207vo), 246 à 247 × ca. 130 mm (fol. 208ro-232vo) en 232 × ca. 135 mm (fol. 233ro-234ro); 2 kol., 48 rr. (fol. 2roa, 13roa-207vob), 51 rr. (fol. 208roa-232vob) en 40 of 41 rr. per kol. (fol. 233roa-233vob). Oude foliëring met rode

[p. 89]

Romeinse cijfers midden in de bovenste marge van elke versozijde; moderne potloodfoliëring. Vier handen (littera textualis): de eerste hand schreef fol. 2roa-3roa, de tweede fol. 4ro-207vob, de derde fol. 208roa-212rob en 212voa-232vob en de vierde fol. 3vob (inhoud) en fol. 233roa-234roa. Op fol. 15roa een grote gouden initiaal H op een zwart gefiligraneerde donkerblauwe en een wit gefiligraneerde licht-paarse grond, gehistorieerd met een gekroonde gouden leeuw met rode tong; gouden initialen op een wit gefiligraneerde blauw-paarse grond; afwisselend rode lombarden met blauw en blauwe lombarden met rood penwerk; op fol. 2roa-3roa twee rode initialen en vijftien rode lombarden; beginletters van de verzen (zelden hoofdletters) noch uitstaand, noch rood doorstreept; rode titels. Twee miniaturen: op fol. 23roa een kleine miniatuur (78 × 60 mm), God de Vader voorstellend, aldaar in de onderste marge een randversiering met honden, hazen, vogels en bomen; op fol. 163ro een grote miniatuur (213 × 146 mm), de belegering van Jerusalem voorstellend. Op fol. 4ro en 4vo tekeningen van zons- en maansverduisteringen. Zeventiende-eeuwse perkamenten (hoornen) band (misschien van 1609); rug vernieuwd; op voor- en achterplat een blind gestempelde vignet.

 

Pl. A en 28

 

Groningen, Bibliotheek de Rijksuniversiteit, 405.

 

 

Het grootste gedeelte van dit handschrift wordt ingenomen door de Rijmbijbel (fol. 15roa-162roa) en Die wrake van Jherusalem (fol. 162voa-192roa), door Jacob van Maerlant bewerkt resp. naar de Historia Scholastica van Petrus Comestor en De bello Judaico van Flavius Josephus. De Rijmbijbel en Die wrake van Jherusalem zijn in verschillende handschriften bewaard gebleven, die we hierboven in de bespreking van hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.001 hebben opgesomd. Verder bevat dit handschrift o.a.: 1. Die miracle van onzer vrouwen (fol. 143roa-207vob), een excerpt uit de Eerste Partie van de Spiegel Historiael van Jacob van Maerlant, nl. Boek VII, kap. 56-91; 2. Ene disputacie van onser vrouwen ende van den heilighen cruce (fol. 208roa-210vob), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, ook voorkomend in hs. Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et phil. fol. 22; 3. Van den vijf vrouden (fol. 210vob-211rob), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, bewerkt naar De gaudiis beatae Mariae virginis, ook bewaard in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19.588; 4. Van den verkeerden Martijn (fol. 211rob-211vob), alleen in dit handschrift overgeleverd; 5. Van ons heren wonden (fol. 211vob-212rob), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, bewerkt naar de hymne Omnibus consideratis paradisus voluptatis, eveneens bewaard in de hss. Brugge, Bisschoppelijk Seminarie, 72/175; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 E 6 en Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 4 F 18; 6. Die clausule

[p. 90]

vander bible (fol. 213voa-216roa), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, slechts in dit handschrift overgeleverd; 7. Vander drievoudichede (De derde Martijn) (fol. 217roa-219rob), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, eveneens voorkomend in de hss. Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1374; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 E 6 en 73 F 19; Oxford, Bodleian Library, Ms. Canon. Misc. 278; Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et phil. fol. 22 en Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 13.708; 8. Van iacob ende van martijn (De eerste Martijn) (fol. 219voa-224rob), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, ook bewaard in de hss. Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1374; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 E 6 en 73 F 19 en Oxford, Bodleian Library, Ms. Canon. Misc. 278; 9. Van den lande van over zee (fol. 224rob-225voa), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, alleen in dit handschrift voorkomend; 10. Van den drie gaerden (Dat boec van den houte) (fol. 225voa-229voa), een gedicht over de geschiedenis van het H. Kruis, nog onvolledig of fragmentarisch bewaard in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.589-623 en II 5580; Düsseldorf, Hauptstaatsarchiv, zonder signatuur; 's-Hertogenbosch, Provinciaal Archief der Minderbroeders Capucijnen, zonder signatuur; Göttingen, Niedersächsische Staats- und Landesbibliothek, Ms. Luneb. 24a en Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 5 F 12; 11. Zente anselmus. Dit is onzer vrouwen claghe (fol. 239voa-232roa), bestaande uit Vanden levene ons heren, vs. 3268-3702 en een excerpt uit een berijmde vertaling van de Dialogus de passione Domini van pseudo-Anselmus van Canterbury en 12. Van ons heren kijnscheide (fol. 232vo-232vob), een excerpt uit Vanden levene ons heren (vs. 854-921).

Dit handschrift moet in 1339 zijn geschreven, daar de paastafel in het kalendergedeelte (fol. 4ro-14vo) met dat jaar begint. Vroeger werd algemeen aangenomen dat het in de cisterziënserabdij Mariënweerd te Beesd, ten westen van Geldermalsen aan de Linge, was geschreven. Uit een nieuw onderzoek van het handschrift is gebleken dat het waarschijnlijk in opdracht van de abt van Mariënweerd in een lekenatelier te 's-Hertogenbosch is vervaardigd. De abt wou het Reinoud II, in 1339 tot hertog van Gelre verheven, bij zijn officieel bezoek aan de abdij aanbieden. Ten gevolge van moeilijkheden, die tussen de hertog en de abt waren ontstaan, werd het handschrift hem echter niet aangeboden. Als

[p. 91]

bemiddelaar tussen de abt en het atelier is waarschijnlijk Jacob van Zuylichem opgetreden, die de abdij heel wat diensten heeft bewezen. Het handschrift is nadien in het bezit van Jacobus van Zuylichem gekomen, zoals blijkt uit de ‘obiits’ van leden van de familie Van Zuylichem, die in iets later schrift in de kalender zijn bijgeschreven. In de 17de eeuw was het handschrift in het bezit van Simon van Leeuwen (1625-1682), schrijver van Batavia illustrata, die het in 1657 aan zijn leermeester Jan van Woerden schonk. Vervolgens heeft het toebehoord aan A. Bentes, schepen van Amsterdam. In 1702 werd het op de veiling van de bibliotheek van A. Bentes gekocht door Florentius de Bruin, predikant te Gorinchem. Van diens zoon Franco de Bruin, predikant te Amsterdam, heeft I. le Long het in bruikleen gehad, die er in zijn Boekzaal der Nederduitsche bybels menige bladzijde aan wijdde. Het bleef in de familie De Bruin, totdat het door A.W.C. Staring (1767-1840) van of uit de nalatenschap van Dr. Isaac de Bruin is verworven. Na Starings overlijden werd het door diens erfgenamen aan B.H. Lulofs (1787-1849), professor aan de universiteit te Groningen, geschonken. B.H. Lulofs vermaakte het handschrift aan de Rijksuniversiteit te Groningen, waar het sinds 1849 berust.

 

Cat.-A. Bentes, I, Amsterdam, 1702, p. 1, nr. 7; I. le Long, Historische beschryvinge van de reformatie der stadt Amsterdam, Amsterdam, 1729, p. 169-170; I. le Long, Boek-zaal der Nederduitsche bybels, 17642, p. 195-211; H. van Wijn, Huiszittend leeven. Bevattende eenige mengelstoffen over afzonderlijke en, voorheen, weinig of niet bewerkte onderwerpen, betreklijk tot de letter-, historie- en oudheidkunde van Nederland, II, 1ste stuk, Amsterdam, 1812, p. 306-322; A.C.W. Staring van den Wildenborch, Berigt nopens het Zutphensche handschrift van Van Maerlant, Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, III, 2de stuk, 1834, p. 53-71; De Wapene Martijn van Jacob van Maerlant, naar het Zutphensche handschrift medegedeeld door A.C.W. Staring van den Wildenborch, met eene inleiding en aanteekeningen van M. Siegenbeek, Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde te Leiden, III, 2de stuk, 1834, p. 81-225; L.G. Visscher, Bijdragen tot de oude letteren der Nederlanden, Utrecht, 1835, p. 146-164; Geestelijke gedichten van Jacob van Maerlant en anderen, uit de 13de en 14de eeuw. Medegedeeld en met eene inleiding en doorloopende aanteekeningen voorzien door L. Ph. C. van den Bergh, Dordrecht, 1840; L. Ph. C. van den Bergh, Van ons Heren kynscheide, Nieuwe Werken van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde, V, 2de stuk, 1841, p. 84-86; B.H. Lulofs, Over het zoogenaamde Zutphensche handschrift van den Rijmbijbel en van eenige andere kleinere gedichten, met meer of minder regt aan Jacob van Maerlant toegeschreven, Verslagen en Mededeelingen, uitgegeven door de vier klassen van het Koninklijk Nederlandsch Instituut van Wetenschappen, Letterkunde

[p. 92]

en Schoone Kunsten over den jare 1843, Amsterdam, 1843, p. 114-131; Dboec vanden houte door Jacob van Maerlant. Uitgegeven door J. Tideman, Leiden, 1844; B.H. Lulofs, Handboek van den vroegsten bloei der Nederlandsche letterkunde, of proeven uit Nederlandsche schriften der dertiende en veertiende eeuw, Groningen, 1845, p. 34-53, 69-105; B.H. Lulofs, Gelderlands voortreffelijke dichter, letteren landhuiskundige Mr. A.C.W. Staring van den Wildenborch, in zijn leven, karakter en verdiensten geschetst, Arnhem, 1843, p. 319-321; Jacob van Maerlant's Wapene Martijn met de vervolgen, kritisch uitgegeven en toegelicht door E. Verwijs, Deventer, 1857; Van den lande van Over-See en Der kercken claghe, twee strophische gedichten van Jacob van Maerlant, uitgegeven door J.F.J. Heremans, Gent, 1870; Kleine gedichten van Jacob van Maerlant, met inleiding, toelichting en bijlagen van J. van Vloten Haarlem, 1878; Jacob van Maerlant's Strophische gedichten, uitgegeven en toegelicht door E. Verwijs, Groningen, 1879; P. Leendertz Jr., Het Zutfensch-Groningsche handschrift, Tijdschrift voor Nederlandsche Taalen Letterkunde, 14 (1895), p. 265-283; 15 (1896), p. 81-99, 270-276; 16 (1897), p. 25-43, 129-141; H. Brugmans, Catalogus codicum manu scriptorum universitatis Groninganae bibliothecae, Groningen, 1898, p. 231-235, nr. 405; Jacob van Maerlants' Strophisthe gedichten, nieuwe uitgave, bewerkt door J. Franck en J. Verdam, Groningen, 1898; E. Gailliard en W. de Vreese, Dietsche kalenders, Jaarboek der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 25 (1911), p. 14-20, 65-128; Jacob van Maerlant's Strophische gedichten. Nieuwe bewerking der uitgave van Franck en Verdam door J. Verdam en P. Leendertz Jr., Leiden, 1918; A.W. Byvanck en G.J. Hoogewerff, Noord-Nederlandsche miniaturen in handschriften der 14de, 15de en 16de eeuwen, 's-Gravenhage, 1922-1925, Tekst, p. 2, nr. 2 en Eerste deel, pl. 21 en 22; Vanden levene ons Heren. Inleiding met kritiese kommentaar en uitgave van alle teksten door W.H. Beuken, Purmerend, 1929, p. 51, 187-191, 280-302 en 341-343; G.J. Hoogewerff, De Noord-Nederlandse schilderkunst, I, 's-Gravenhage, 1936, p. 66-71; Tentoonstelling ‘Het Nederlandse boek 1300-1800’, 's-Gravenhage, Gemeentemuseum, 1950, nr. 2; Noord-nederlandse handschriften 1300-1500, Enschede, Rijksmuseum Twenthe, 1950, nr. 3; J. van Mierlo, Uit de strophische gedichten van Jacob van Maerlant, Zwolle, 1954 (Klassieken uit de Nederlandse Letterkunde, 3); Verwijs' Bloemlezing uit de Middelnederlandse dichtkunst, herzien door C.C. de Bruin, II, Zutphen, 1957, p. 250-257; Middeleeuwse kunst der Noordelijke Nederlanden, Amsterdam, Rijksmuseum, 28 juni-28 september 1958, p. 115, nr. 141; Dat boec van den houte. Eine mittelniederländische Dichtung von der Herkunft des Kreuzes Christi. Mit einer Einleitung neu herausgegeben von L. Hermodsson, Uppsala-Wiesbaden, [1959] (Uppsala Universitets Årsskrift, 1959, 1); G.I. Lieftinck, Problemen met betrekking tot het Zutphens-Groningse Maerlant-handschrift, Amsterdam, 1959 (Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, afd. Letterkunde, Nieuwe reeks, deel 22, nr. 2); K. Chr. J.W. de Vries, De Mariaklachten, Zwolle, z.j., p. 21-22 (Zwolse Drukken en Herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandse Letteren te Leiden, 48); Van den lande van ouer zee naar het enig bewaard gebleven handschrift. Ingeleid en toegelicht door G. Stuiveling, Amsterdam, [1966], 2 dln.; M.J.M. de Haan, Tweemaal ‘Van zente Ancelmus’, Ons Geestelijk Erf, 42 (1968), p. 113-141; Vanden levene ons Heren. Ingeleid, toegelicht en uitgegeven door W.H. Beuken, Zwolle, 1968, I, p. 6, 33-36,

[p. 93]

112-130, 132-133, 164 en 165; II, p. 29-31 en 50-52 (Zwolse Drukken en Herdrukken voor de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde te Leiden, 60A en 60B).