42. Het Haagse liederboekHet Haagse liederhandschrift, Westmiddelnederlands (soms Middelhoogduits getint of gekleurd) en Middelhoogduits, ca. 1400.Perkament; 3 + 67 + 3 bll.; blad en bladspiegel resp. 250 × 186 mm en 185 à 188 × ca. 145 mm; 2 kol., 40 rr. per kol. Achttiende-eeuwse foliëring met zwarte inkt. Eén hand (littera cursiva). Een gedecoreerde blauwe initiaal op een gouden grond; rode lombarden; zwarte titels rood onderstreept; zwarte paragraaftekens rood doorstreept; beginletters van de verzen in een aparte kolom en afzonderlijk of doorlopend rood doorstreept. Op fol. 67vob, in een hand van ca. 1460 (littera cursiva): Dit boech huert zo joncker johan greue zo nossou zo vijanden vnd marien van loen sijnre huijsvrauwen. Achttiende-eeuwse bruin juchtleren band;
op voor- en achterplat het wapen van Willem Karel Hendrik Friso (Willem IV) of van diens weduwe Anna van Hannover; rug met verguldwerk versierd.
's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 128 E 2.
Dit handschrift, in de literatuur als het Haagse liederboek bekend, bevat 155 stukken, meestal liederen, evenwel zonder muzieknotatie, verder zedenkundige gedichten en spreuken. Sommige van die stukken zijn, onder invloed van de graven van Holland en Zeeland uit het huis van Beieren, in het Middelhoogduits of in een Middelhoogduits getint of gekleurd Middelnederlands geschreven. Vijf stukken Nu dicwile hordic lesen, Et is Vrouw Eren wal gevallen, Die coninc Ere woude opgeven, Min vrou heyt Wendelmoet, Gonst is alre gaven groet en Boven der naturen leere zijn van een zekere Noydekin, waarschijnlijk niet dezelfde als degene, die volgens Jacob van Maerlant, samen met Calfstaf, de Esopet heeft gedicht. Drie gedichten Lijd den tijt, Van den scepe en Dits van der vrouwen borch (De borch van Vroudenrijc) zijn door Augustijnken van Dordt geschreven. Al de Middelnederlandse stukken zijn alleen in dit handschrift overgeleverd, behalve Van den scepe van Augustijnken van Dordt dat ook in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.589-623 en 15.642-51, en Dits van der vrouwen borch van dezelfde, dat eveneens in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.589-623 voorkomt, alsook Min vrou heyt Wendelmoet van Noydekin dat ook in hs. 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 H 57 wordt aangetroffen. Het hier besproken handschrift werd omstreeks 1400 geschreven. Het heeft deel uitgemaakt van de bibliotheek van Johan IV, graaf van Nassau, heer van Breda, Vianden enz. (1410-1475) en van Maria van Loon (1424-1502), zijn echtgenote. Het heeft toebehoord aan Frederik Hendrik (1584-1647), prins van Oranje, wiens bibliotheek in 1749 te 's-Gravenhage werd geveild. Op die veiling werd het door Karel Hendrik Friso (Willem IV) (1711-1751), prins van Oranje-Nassau, gekocht. In 1798 werd het, samen met het gedeelte van de stadhouderlijke bibliotheek, dat niet door de Fransen als buit naar Parijs was gevoerd, in de pas gestichte Nationale, thans Koninklijke, Bibliotheek te 's-Gravenhage opgenomen.
Cat.-Frederik Hendrik, prins van Oranje, 's-Gravenhage, 1749, p. 231, nr. 10; W. Bilderdijk, Taal- en dichtkundige verscheidenheden, III, Rotterdam, 1822, p. 160-174;
J. Zacher, Handschriften im Haag, Zeitschrift für deutsches Altherthum, 1 (1841), p. 227-262; Geestelijke gedichten van Jacob van Maerlant en anderen, uit de 13de en 14de eeuw. Medegedeeld en met eene inleiding en doorloopende aanteekeningen voorzien door L.Ph.C. van den Bergh, Dordrecht, 1840, p. 12 en 112-114; H. Hoffmann von Fallersleben, Übersicht der mittelniederländischen Dichtung, Hannover, 18572, passim (Horae Belgicae, I); Onuitgegeven verzen van Noydekin, Pieter Vreugdegaer, Jan Vrouwentroost, Jan van Gulick, Augustijnken van Dordrecht, en anderen, medegedeeld door J. van Vloten, De Dietsche Warande, 7 (1866), p. 370-399; Esopet. Opnieuw naar het handschrift uitgegeven en van een inleiding en woordenlijst voorzien door J. te Winkel, Groningen, 1881, p. 6-15; A. Nijland, Gedichten uit het Haagsche liederhandschrift uitgegeven en toegelicht uit de Middelhoogduitsche lyriek, Leiden, 1896; [W.G.C. Byvanck], De Oranje Nassau-boekerij en de Oranje-penningen in de Koninklijke Bibliotheek en in het Koninklijk Penningkabinet te 's-Gravenhage, I. Handschriften en boeken uit de boekerij van Oranje Nassau ter Koniklijke Bibliotheek, Haarlem, 1898, p. 9, nr. 6; A. Kalla, Über die Haager Liederhandschrift Nr. 721, Praag, 1909, (Prager deutsche Studien, 14); Die Haager Liederhandschrift. Faksimile des Originals mit Einleitung und Transskription, herausgegeben von E.F. Kossmann, 's-Gravenhage, 1940, 2 dln.; T. Brandis, Mittelhochdeutsche, mittelniederdeutsche und mittelniederländische Minnereden. Verzeichnis der Handschriften und Drucke, München, 1968, p. 231 en 232 (Münchener Texte und Untersuchungen zur deutschen Literatur des Mittelalters, 25). |