57. Vaderboec

Timotheus van Alexandrië, Historia monachorum in Aegypto (Vitae patrum, II), tweede Middelnederlandse vertaling; Palladius van Helenopolis, Historia Lausiaca (Vitae patrum, VIII), Middelnederlandse vertaling, Utrecht, 1417.

Perkament; 1 + 123 + 1 bll.; blad en bladspiegel resp. 200 × 140 mm en 155 à 157 × 100 à 102 mm; 1 kol. (fol. 1ro-8vo) en 2 kol. (fol. 9ro-123ro), 29 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring. Eén hand (littera textualis). Twee blauwe initialen met zwart penwerk, gehoogd met goud, blauw, rood, groen en wit; een blauwe initiaal met rood en blauw penwerk; een blauwe initiaal; rode lombarden en titels. Op fol. 123roa, door de kopiist met rode inkt: Hier endet dat derde boec vanden leven der heiliche vaderen ghescreuen in vredendael. Jnt iaer ons heere[n] dusent vierhondert ende seventien. God si ghebenedit inder ewicheit amen. Moderne bruin leren band; voor- en achterplat met filet afgebiesd.

 

Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 7 N 25.

 

 

Dit handschrift bevat een vertaling van de Historia monachorum in Aegypto, omstreeks 400 geschreven door Timotheus van Alexandrië (fol. 1ro-72voa), en een vertaling van de Historia Lausiaca, in 419-420 vervaardigd door Palladius van Helenopolis (fol. 73roa-123roa). Beide werken bevatten verhalen over monniken, die in de Egyptische woestijn een boetvaardig leven leidden. Wanneer beide

[p. 174]

werken in het Diets zijn vertaald, is niet bekend, maar het moet vóór 1417 zijn geweest, daar dit handschrift in 1417 is geschreven. Behalve in dit handschrift zijn deze vertalingen nog bewaard in de hss. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 5 F 10 en Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, Ser. nov. 248; bovendien werden zij in 1480 door Geraert Leeu te Gouda gedrukt (Campbell, 937).

Het hier besproken handschrift is in 1417 in het klooster Vredendaal bij Utrecht geschreven dat door Wermbold van Buscop († 1413) als tertianenklooster werd gesticht, maar in 1419 tot de orde van de reguliere kanunniken van de H. Augustinus overging en bij het Kapittel van Windesheim werd ingelijfd. Nadat Vredendaal in 1528 door brand was vernield, gingen de bewoners naar het Sint-Jansklooster te Amersfoort over, waarvan de bewoners ten gevolge van de opkomende hervorming bijna allen het huis hadden verlaten. Het handschrift heeft aan Cornelius Cornelissen (ca. 1700) en Johannes Jansen (1786) toebehoord. In 1876 werd het door het Amsterdamse antiquariaat C.L. van Langenhuysen te koop aangeboden en door J.A.J.W. van Hal (1837-1911), wijnhandelaar te Breda, gekocht. In 1902 werd het door de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht op een veiling te 's-Gravenhage verworven.

 

Librairie ancienne de C.L. van Langenhuysen. Bulletin No 5, Amsterdam, [1876], p. 77, nr. 667; Cat.-J. Patijn, J. van Gennep, J. Bosscha e.a., 's-Gravenhage, 1912, p. 136, nr. 2380.