60. Gregorius de Grote, DialogenGregorius de Grote, Dialogi, Zuidnederlandse vertaling, en andere teksten, Zuid-Brabant (Rooklooster), 1395 en 15de eeuw.Perkament; 2 + 68 + 2 bll.; blad, behalve fol. 1 en 42, 265 × 180 mm; moderne foliëring met zwarte inkt. Twee gedeelten. Eerste gedeelte (fol. 1-63): bladspiegel 200 à 207 × 125 à 135 mm (fol. 2-41) en 197 à 200 × 130 à 133 mm (fol. 44-63); 2 kol., aantal rr. per kol.: 48 (fol. 2-41) en 46 of 47 (fol. 43-63); drie handen (littera textualis): de eerste hand (librarius van Rooklooster, 1395) schreef fol. 2roa-43vob, de eerste vijf regels van fol. 44roa, verder koptitels, kapittelnummers en correcties op fol. 44ro-63ro; de tweede hand (ca. 1395) fol. 44roa-63roa en de derde hand (tweede helft 15de eeuw) fol 1ro en vo; rode initialen en lombarden; zwarte titels, soms rood onderstreept; rood doorstreepte zwarte paragraaftekens. Tweede gedeelte (fol. 6-68): bladspiegel 200 à 205 × 145 à 152 mm; 2 kol., 44 à 49 rr. per kol.; een hand (littera cursiva, begin 15de eeuw); rode titels, initialen en lombarden. Op fol. 63 roa, door de tweede hand van het eerste gedeelte: Jnt iaer ons heren. dusent driehondert achtentachtich. op den derden dach na alre heilighen dach, was dit dyalogus uten latine in dietsche vulmaect. Bidt ouer den ghenen die den arbeit dede (datum, waarop de vertaling van de Dialogi is voltooid); op fol 42voa, door de eerste hand van het eerste gedeelte: Hier es de derde boec van dyalogus vte in dit boec gescreuen int iaer ons heren. M.CCC.XCV. op sente bertelmeus auonde te vespertide; op fol. 68ro, bovenaan, in een 15de-eeuwse hand (littera textualis): Dit boec hoert den brueders vanden roeden cloestere toe. te sente pauwels in zonien. gheuet hem weder. Oorspronkelijke bruin kalfsleren band op eiken borden, rug en vier hoeken met bruin segrijn vernieuwd, voor- en achterplat met driedubbele filets versierd, sporen van twee riemsluitingen; op het achterplat resten van een perkamenten etiket, waarop nog te lezen staat (littera textualis): Dyalogi [...] ende ander dingh [...]. Op fol. 2ro en 67vo ronde rode stempel van de Bibliothèque Nationale te Parijs.
Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1805-08.
Het grootste gedeelte van dit handschrift (fol. 2roa-63roa) wordt door de Zuidnederlandse vertaling van de Dialogi van Gregorius de Grote ingenomen. Dit werk werd door Gregorius in 593 of 594 geschreven, toen hij reeds drie of vier jaar paus was. Het bestaat uit vier dialogen, waarin hij de diaken Petrus de wonderdaden, de visioenen en de voorspellingen van de heilige mannen vertelt, die in de 5de en de 16de eeuw in Italië geleefd hebben en wier faam wel in enkele kloosters, steden of streken voortleefde, maar die in de
rest van het land onbekend waren. De tweede dialoog is geheel aan de H. Benedictus, de vierde uitsluitend aan het voortleven van de ziel na de dood gewijd. In de middeleeuwen was het werk in de oorspronkelijke taal zeer verspreid; bovendien werd het in verschillende talen o.a. in het Angelsaksisch, het Arabisch, het Duits, het Frans, het Grieks, het Italiaans, het Nederlands en het Portugees vertaald. Deze vertaling van de Dialogi werd, volgens een kolofon in dit handschrift, drie dagen na Allerheiligen, dus op 4 november, 1388 voltooid. Zij werd vervaardigd door een anoniem vertaler, waarschijnlijk een monnik uit de abdij van Affligem, die ‘de bijbelvertaler van 1360’ wordt genoemd, omdat hij in 1360-1361 de historische boeken van het Oude Testament verdietste. Behalve in dit handschrift is deze vertaling nog bewaard in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2137-38 en Londen, British Museum, Egert. 676; twee excerpten komen voor in hs. Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 15.418. Een handschrift van deze vertaling dat zich volgens A. Sanderus in de priorij Sint-Maartensdal te Leuven bevond, is verloren gegaan. Een ripuarische ‘Umschreibung’ ervan bevindt zich in hs. Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 2174. Het tweede gedeelte van het handschrift bevat excerpten uit preken van pseudo-Augustinus, Gregorius en pseudo-Beda (fol. 64roa-65vob), alsook Hoe sente kateline te christum bekeert wert (fol. 65voa-66vob) en Van sente loye besscop (fol. 66vob-67rob), resp. vertalingen van de Conversio sanctae Catharinae en De sancto Eligio episcopo. Deze teksten komen in dezelfde volgorde nog voor in hs. 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek 73 H 6; bovendien bevindt Hoe sente kateline te christum bekeert wert zich nog in hs. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, VI B 15 en Van sente loye besscop nog in de hss. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, VI B 14; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 133 E 6 en Londen, British Museum, Add. 18.162. De eerste kopiist in het eerste gedeelte, die omstreeks 1400 librarius van de Dietse boeken in Rooklooster is geweest, voleindigde het afschrift van de eerste drie dialogen daags vóór het feest van de H. Bartholomeus, d.w.z. op 23 augustus, 1393, dus minder dan zeven jaar, nadat de vertaling door de ‘Bijbelvertaler van 1360’ werd voltooid. De librarius van Rooklooster omstreeks 1400 was een ijverig kopiist, die buiten dit handschrift nog verschillende
codices volledig of gedeeltelijk heeft geschreven. Volledig schreef hij de hss. Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1374 en Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 13.708; gedeeltelijk de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2849-51, 2905-09, 2979 en 3093-95; bovendien schreef hij een lijst van Dietse boeken in Rooklooster omstreeks 1400, voorkomend in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1351-72. Na de opheffing van Rooklooster op 13 april 1784 kwam het handschrift, samen met andere handschriften uit de afgeschafte kloosters, in de lokalen van het Comité de la caisse de religion te Brussel terecht, waar het in 1794 door Franse commissarissen in beslag werd genomen. Het berustte tot 1815 in de Bibliothèque Nationale te Parijs, in welk jaar het door de Fransen aan België werd teruggegeven en in de Bourgondische Bibliotheek, thans Koninklijke Bibliotheek, te Brussel werd geplaatst.
J. Van den Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque Royale de Belgique, II, Brussel, 1902, p. 264-265, nr. 1303; C.G.N. de Vooys, Iets over middeleeuwse bijbelvertalingen, Theologisch Tijdschrift, 37 (1903), p. 141; W. de Vreese, De Dietsche boeken van 't Rooklooster omstreeks het jaar 1400, Album Kern, Leiden, 1903, p. 402, herdrukt in W. de Vreese, Over handschriften en handschriftenkunde. Tien codicologische studiën, bijeengebracht, ingeleid en toegelicht door P.J.H. Vermeeren, Zwolle, 1962, p. 67; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozalitteratuur en het volksgeloof der middeleeuwen, Groningen-Den Haag, 19262, p. 11-14; Le livre en Brabant jusqu'en 1800. Exposition, Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1935, p. 22, nr. 36; Middelnederlands geestelijk proza, verzameld door C.C. de Bruin en ingeleid door C.G.N. de Vooys, Zutphen, 1940, p. 193-195, nr. 76 en p. 341, nr. 76; J. Deschamps, Die mittelniederländischen Übersetzungen der Dialoge Gregors des Grossen, Neuphilologische Mitteilungen, 53 (1952), p. 467; Middelnederlandse stichtelijke exempelen, verzameld en uitgegeven door C.G.N. de Vooys, Zwolle, 1953, p. 3-4; J. Deschamps, Het Weense handschrift van de Tweede Partie van de Spiegel Historiael, Kopenhagen, 1971, p. 45 (Mediaeval Manuscripts from the Low Countries in facsimile, 1). |