62. Koenraad van Eberbach, Een vertellinghe vanden beghinsele der ordenen van cistiaus

Koenraad van Eberbach, Narratio de initio Cisterciensis ordinis sive Exordium magnum ordinis Cisterciensis, dist. 1-6, Zuidnederlandse vertaling, Brabant (Mechelen?), 1457.

Papier en perkament; 1 + 196 bll.; blad en bladspiegel resp. 285 × 210 mm en 205 × 147 à 150 mm; 2 kol., 36 rr. per kol. Moderne foliëring met zwarte inkt. Twee handen (litera bastarda): de eerste hand schreef fol. 1roa-3vob en 16voa-193rob; de tweede hand fol. 4roa-16voa en het kolofon op fol. 193voa. Twee opengewerkte rood-blauwe initialen met rood, paars en groen penwerk; drie opengewerkte rode initialen, rode lombarden, rode opschriften. Op fol. 28roa een miniatuur met de H. Bernardus en een vóór hem neergeknielde non. Op fol. 193voa: Desen boec was beghost opten Mey auont Jnt iaer ons heren doen men schreef .M.CCCC. ende lvij. Ende hi wert gheeyndt op sinte Bernaerts des heyleghen gloriosen vaders octaue dat was op sinte Augustijns auont. ter eeren gods ende sijnder lieuer moeder Marien ende des heyleghen sueten vaders. Ende tot stichtinghe alder gheender die daer in lesen selen. Op de versozijde van het ongefolieerde schutblad voorin, onderaan: Dit boeck hoert toe den cloester tot onser lieuer vrouwen te bethanien buten mechelen. Achttiende-eeuwse perkamenten band, groen gespikkelde sneden.

 

Pl. 58

 

Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 12.166.

 

 

In het Exordium magnum ordinis Cisterciensis verhaalt Koenraad van Eberbach († 1221) over het leven en streven van de monniken en conversen, die onder de eerste acht abten de beroemde abdij van Clervaux, in 1115 door de H. Bernardus gesticht, bevolkten. Zijn doel was een stichtelijk boek te schrijven, waarin de eerste bewoners van Clervaux ten voorbeeld worden gesteld. Het werk bestaat uit zes distinctiones, die samen 169 hoofdstukken tellen. De eerste vier distinctiones schreef hij op het einde van de 12de eeuw als monnik in de abdij van Clairvaux, de laatste twee distinctiones in het begin van de 13de eeuw in de abdij van Eberbach. Het werk is weinig oorspronkelijk, want de stof heeft hij grotendeels aan het Exordium parvum, de Vita prima sancti Bernardi en vooral aan het Liber miraculorum van Herbert van Clairvaux ontleend. Zoals uit het grote aantal bewaarde handschriften blijkt, kreeg het werk, vooral in de 15de eeuw, blijkbaar onder invloed van de Moderne Devotie, een grote verbreidheid.

Het Exordium magnum ordinis Cisterciensis is tweemaal volledig

[p. 183]

in het Middelnederlands vertaald. De eerste vertaling, getiteld Een vertellinghe vanden beghinsele der ordenen van cistiaus, is vóór 1457 in de Zuidelijke Nederlanden tot stand gekomen. Behalve in het hier besproken handschrift is zij nog in hs. Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 15.458 bewaard gebleven, waarin echter de eerste distinctio en de eerste vier hoofdstukken van de tweede distinctio, alsook de tweede helft van het tiende en laatste hoofdstuk van de zesde distinctio, ontbreken. Te oordelen naar het gering aantal bewaarde handschriften schijnt deze vertaling niet erg verspreid te zijn geweest.

Het hier besproken handschrift werd op 31 april 1458 begonnen en op 27 augustus van hetzelfde jaar voltooid. Het heeft toebehoord aan het klooster Bethanië buiten Mechelen, een klooster van reguliere kanunnikessen van de H. Augustinus, behorend tot het Kapittel van Windesheim. Waarschijnlijk is het ook in dat klooster tot stand gekomen. In 1560 werd het blijkens een aantekening door Werner Helmich, wonende te Delft, gekocht. Het heeft toebehoord aan Charles Pierre Joseph Le Candèle (1761-1830), baron van Gijzegem, wiens verzameling handschriften kort na zijn dood door de Koninklijke Bibliotheek te Brussel is verworven.

 

J. Van den Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque royale de Belgique, VI, Brussel, 1906, p. 177-178, nr. 3875; J. Deschamps, De catalogus van de Middelnederlandse handschriften van de Koninklijke Bibliotheek van België, De Gulden Passer, 1961, p. 262; Exordium magnum Cisterciense sive Narratio de initio Cisterciensis ordinis auctore Conrado, ad codicem fidem recensuit B. Griesser, Rome, 1961, p. 24-25 (Series scriptorum s. ordinis Cisterciensis, 2).