63. Koenraad van Eberbach, Dat boec vanden claren ende verluchten mannen der oerden van cistercien

Koenraad van Eberbach, Narratio de initio Cisterciensis ordinis sive Exordium magnum ordinis Cisterciensis, dist. I-III, Noordnederlandse vertaling, Holland (Weesp), 1468.

Perkament; 4 + 158 bll.; blad en bladspiegel resp. 212 × 155 mm en 160 × 105 mm; 1 kol., 31 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring. Eén hand (littera bastarda). Eén rood-blauwe initiaal met rood, paars en groen penwerk; rode lombarden; rood onderstreepte zwarte opschriften. Op fol. 157vo: Dit boeck wert volscreuen ende gheeynt van peter zwanincz priester Jnden iaer ons heren M CCCC ende lxviij op dortienen auent te twee vren na middach Ten loue godes ende tot salicheit der susteren te weesp int oude conuent. bidt om gods willen voer den scriuen Jtem dit boec hebbe[n] becosticht ende wel betaelt tot enen ewighen testament aernt hoep ende niese sijn wijf saligher ghedachten Welke voerscreuen aernt hoep starf op

[p. 184]

sinte gordiaens dach in die meye Ende niese sijn wijf daer na int selue iaer op sinte theodociusdach in die maent gheheten nouember Jnt iaer ons heren M CCCC ende lxvij Bidt om gods willen voer hoer beider sielen. Achttiende-eeuwse kartonnen band met bruin kalfsleren rug en hoeken.

 

Weesp, Gemeentearchief, III B 1.

 

 

De tweede Middelnederlandse vertaling van het Exordium magnum ordinis Cisterciensis, getiteld Dat boec vanden claren ende verluchten mannen der oerden van cistercien, is blijkens de bewaarde handschriften meer verspreid geweest. Zij is vóór 1466 in de Noordelijke Nederlanden vervaardigd; in dat jaar immers is het oudst gedateerde handschrift (Trier, Stadtbibliothek, 1236 (604)) geschreven. Behalve in dit Weespse handschrift komt de tweede vertaling nog voor in de hss. Aken, Diözesanarchiv, 722 (2761) (dist. 1-6); Deventer, Athenaeumbibliotheek, 101 D 8 (dist. 1-3) en 101 D 18 (dist. 1-6, elf eerste bladen ontbreken); olim Gaesdonck, Collegium Augustinianum, 61 (fotokopie Nijmegen, Universiteitsbibliotheek, Coll. T. Brandsma) (dist. 4-6); Straatsburg, Bibliothèque Nationale et Universitaire, 2930 (All. 722) (dist. 1-6); Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 5 D 6 (dist. 1-6) en Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, Ser. nov. 12.814 (olim F.C. 7921) (dist. 4-6). Blijkens de hss. Darmstadt, Hessische Landes- und Hochschulbibliothek, 106 (dist. 1-6); Koblenz, Staatsarchiv, Gymnasialbibliothek, 39 (dist. 1-6) en Trier, Stadtbibliothek 1236 (604) (dist. 1-6) was de tweede vertaling eveneens in het Middelfrankische gebied verspreid. In hs. Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 1031, fol. 166roa-217raa, bevinden zich onder de titel Sommighe exempelen ghenomen wt den boeke dat ghemaket is van merkeliken mannen der orden 34 hoofdstukken uit het Exordium magnum in een zelfstandige vertaling. Verder heeft Dirc van Herxen in zijn eerste Diets kollatieboek, dat volledig in hs. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 3 L 6 en gedeeltelijk in hs. Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 2231 is bewaard, vier excerpten uit het Exordium magnum opgenomen; bovendien komen er in het gedeelte van diens tweede Diets kollatieboek dat in hs. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, I G 47 is overgeleverd, acht excerpten daaruit voor.

Het hier besproken Weespse handschrift is op 5 januari 1468 voltooid door Peter Swaninc, een priester, die als kostganger in het klooster van de H. Johannes Evangelist, veelal genoemd het Oude

[p. 185]

Convent, te Weesp woonde. Het werd bekostigd en aan het voornoemde klooster geschonken door Aernt Hoep en diens echtgenote Niese, die allebei nog in het jaar, waarin het handschrift is voltooid, zijn overleden. Daar dit handschrift slechts de eerste helft van het Exordium magnum bevat, is het niet onmogelijk dat Peter Swaninc de tweede helft van het werk in een tweede handschrift heeft overgeschreven dat verloren is gegaan. Er zijn nog vijf andere handschriften bekend, die door Peter Swaninc tussen 1457 en 1474 zijn geschreven: Cambridge, Fitzwilliam Museum, 271 (Gregorius, Moralia in Job, boek 14-24, 1470); 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 70 E 21 (Jacobus de Voragine, Legenda aurea, slechts fol. 152-332, 1461), 73 G 9 (o.a. Pierre d'Ailly, Speculum considerationis, 1472 en 1474), 73 G 21 (o.a. Gerlach Peters, Soliloquium, 1469) en 73 G 32 (Theodoricus van Apolda, Sunte Elisabeth leuen, 1457).

Het onderhavige Weespse handschrift heeft toebehoord aan de Amsterdamse antiquaar Petrus Bernardus van Damme (1727-1806), wiens voorraad handschriften en boeken in oktober 1764 in 's-Gravenhage is geveild. Het is ons onbekend wanneer en hoe het handschrift in het Gemeentearchief te Weesp is gekomen.

 

Cat.-P. van Damme, II, 's-Gravenhage, 1764, p. 178, nr. 1879; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozaliteratuu en het volksgeloof der middeleeuwen, Groningen-Den Haag, 19262, p. 15-20; De Middelnederlandsche vertaling van het Exordium magnum volgens het handschrift der universiteitsbibliotheek te Leiden (Mij Ndl. Letterk.) 1031 [uitgegeven door A. Greebe], Achel, 1932; M. Schoengen, Monasticon Batavum, I, Amsterdam, 1941, p. 200.