64. Caesarius van Heisterbach, Dialogus miraculorum

Caesarius van Heisterbach, Dialogus miraculorum, dist. 1-6, eerste Middelnederlandse vertaling, Holland (Amsterdam), 1481.

Perkament; 249 bll.; blad en bladspiegel resp. 217 × 147 mm en 140 × 100 mm; 2 kol., 31 of 32 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring. Eén hand (littera bastarda). Blauwe initialen, meestal opengewerkt, met rood penwerk, gehoogd met groen en geel; rode initialen met rood penwerk, gehoogd met groen en geel; afwisselend rode en blauwe lombarden; rode opschriften. Op fol. 248rob, door de kopiiste: Dit boec is gescreuen int iaer ons heren M.CCCC ende lxxxi, ende op sinte bertholomeus auont gheeyndet gescreuen van aue pieters dochter; op fol. 248voa, middenin, in een wat latere hand: Item dit boec hoert tot sinte maria magdalenen susteren te amsterdam byden mynre broeders staende. Van de oorspronkelijke bruin kalfsleren band is slechts het achterbord bewaard gebleven; het verloren voorbord is door een

[p. 186]

kartonnen voorbord vervangen, beplakt met bruine perkaline; het oorspronkelijke achterplat versierd met driedubbele filets en met halve maantjes en losse bloem- en bladstempeltjes; sporen van twee sloten. Op fol. 1roa een ovale zwarte stempel: R.K. Kerk van den H. Joseph te Haarlem.

 

Haarlem, Bisschoppelijk Museum, S.J. 91.

 

 

Caesarius van Heisterbach (ca. 1180-ca. 1240/45) was eerst novicenmeester, daarna prior in de cisterciënserabdij Heisterbach in het Zevengebergte. Zijn beroemdste werk is de Dialogus miraculorum (1219-1223), grotendeels bestaande uit exempelen, die hij uit de mond van tal van zegslieden, wier naam hij steeds zorgvuldig noemt, heeft opgetekend. Die exempelen, veelal verhalen van wonderen, visioenen en verschijningen, speelden zich tussen 1190 en 1223 in het Rijnland en de Nederlanden, meestal in en rondom cisterciënserkloosters, af. Het werk is geschreven in de vorm van een dialoog tussen een ‘monachus’ (Caesarius zelf) en een ‘novicius’ en is verdeeld in 12 distinctiones, die resp. over de bekering, het berouw, de biecht, de bekoringen, de duivel, de eenvoud, de H. Maagd, de visioenen, de H. Eucharistie, de mirakelen, de stervenden en het oordeel handelen. De Dialogus miraculorum is een belangrijke bron voor de kennis van het volksgeloof en de volksgebruiken omstreeks 1190-1223 in het Rijnland en in de Nederlanden. In een hoofdstuk van de Dialogus miraculorum (dist. 7, 34) komt het Beatrijs-verhaal voor.

De Dialogus miraculorum is tweemaal in het Middelnederlands vertaald. De eerste vertaling, die waarschijnlijk in de Zuidelijke Nederlanden tot stand kwam, was blijkens de herkomst van de handschriften zowel in het Noorden als in het Zuiden verspreid. Zoals het hier besproken handschrift bevatten de vijf volgende handschriften elk slechts een deel van deze vertaling: Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, XIV G 34 (dist. 9, 29-dist. 12, 58); Emmerik, Archiv der Sankt Martinikirche, I 88 (dist. 1-6); Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 388 (dist. 1-7, 16); Parijs, Bibliothèque Mazarine, 781 (dist. 1-7, 16) en Sint-Truiden, Provinciaal Archief der Minderbroeders, MZ 37 (dist. 1-7, 16). Hieruit blijkt dat het tweede deel van deze vertaling slechts gedeeltelijk bewaard is gebleven.

Het hier besproken handschrift is daags vóór het feest van de H. Bartholomeus, dus op 23 augustus, 1481 voltooid door Ave Pietersdochter, waarschijnlijk een zuster uit het klooster Sint-Maria Magdalena in Bethanië in Amsterdam, waaraan het handschrift

[p. 187]

blijkens het bovenvermelde eigendomsmerk heeft toebehoord. Waarschijnlijk bleef het in het voornoemde klooster, totdat het in 1585 werd opgeheven. Later maakte het deel uit van de bibliotheek van de Sint-Jozefskerk te Haarlem. In 1937 werd deze bibliotheek aan het Bisschoppelijk Museum te Haarlem in bewaring gegeven.

 

Middelnederlandse Marialegenden, uitgegeven door C.G.N. de Vooys, II, Leiden, [1902-1903], p. LXV en 237-245; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozalitteratuur en het volksgeloof der middeleeuwen, Groningen-Den Haag, 19262, p. 20-23; Middelnederlands geestelijk proza, verzameld door C.C. de Bruin en ingeleid door C.G.N. de Vooys, Zutphen, 1940, p. 199, 200 en 342; P. Verheyden, Noord-Hollandse boekbanden. Haarlemse banden, Het Boek, 31 (1952-1954), p. 200; Middelnederlandse stichtelijke exempelen, verzameld en uitgegeven door C.G.N. de Vooys, Zwolle, 1953, p. 5-7.