[p. 189]

66. Thomas van Cantimpré, Bienboec

Thomas van Cantimpré, Bonum universale de apibus, eerste Middelnederlandse vertaling, Utrecht, 1458.

Papier; 2 + 222 + 2 bll.; blad en bladspiegel resp. 286 × 202 mm en 195 × 138 mm; 2 kol., 32 à 37 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring. Eén hand (littera bastarda). Rood-blauwe initialen met rood en paars penwerk; opengewerkte rode lombarden; rode titels, kapittelnummering en paragraaftekens; begin der kapittels, eigennamen en citaten rood onderstreept. Op fol. 219roa en b, door de kopiiste: ¶ Hier eyndet dat boec der byen. dat begonnen wert ouer te setten int gulden iair op Sinte matheus auont ende geeyndet wert op onser lieuer vrouwen auont Annunciacio. ¶ Jtem wi bidden die dit boec ouer geset hebben dat alle die geen die dit lesen of horen lesen voer ons lesen willen onser lieuer vrouwen kransken. ¶ Dit boec is gescreuen Jnt iaer ons heren M.CCCC. ende lviij. ende wert geeyndet op der XIM maechden auont. Deo gracias ¶ Een Aue maria van mynnen om gods wil vor die onnutte scrijfster. Op fol. 219rob, in de rechterbenedenhoek: J. Kaldekerck heeft dit boeck gecocht die Maij Anno domini 1641. Achttiende-eeuwse hoornen band.

 

's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 E 14.

 

 

Thomas van Cantimpré (ca. 1200-1270/1272), waarschijnlijk te Sint-Pieters-Leeuw bij Brussel geboren, trad in 1216 in het klooster Cantimpré bij Kamerijk, daarna in 1232 in het dominikanenklooster te Leuven. Na een verblijf te Keulen, waar hij leerling was van Albertus Magnus, en te Parijs werd hij in 1246 subprior en lector in het dominikanenklooster te Leuven, waar hij bleef tot aan zijn dood. Zijn beroemdste en belangrijkste werk is het Bonum universale de apibus, kortweg Liber apum geheten, waarin hij de goed-geordende bijenwereld elke kloostergemeenschap ten voorbeeld stelt. Als uitgangspunt nam hij het negende boek van zijn eigen werk De natura rerum, waarin hij over de bijen handelt. De toepassing van het leven der bijen op het leven der monniken is vaak ver gezocht. Het werk dat in de proloog aan Humbertus van Romans is opgedragen, bestaat uit twee boeken, die resp. over de prelaat (de bijenkoningin) en de monniken (de bijen) handelen. Het bevat een groot aantal exempelen, die hij grotendeels uit de mond van zegslieden heeft opgetekend, en moralisaties, waarin hij van een grote belezenheid blijk geeft. Evenals de Dialogus miraculorum van Caesarius van Heisterbach is het Bonum universale de apibus van groot belang voor de kennis van de volksgebruiken en het volksgeloof in de 13de eeuw.

Het Bonum universale de apibus werd tweemaal in het Middelnederlands vertaald. Opmerkelijk is dat beide vertalingen, niet in de Zuidelijke Nederlanden, waar Thomas van Cantimpré is geboren

[p. 190]

en een groot deel van zijn leven heeft doorgebracht, maar in de Noordelijke Nederlanden zijn tot stand gekomen. De eerste vertaling werd in het gulden jaar daags vóór de feestdag van de H. Mattheus, d.i. op 20 september 1450, begonnen en het jaar daarna op het feest van Maria-Boodschap, d.i. op 25 maart 1451, voltooid. Behalve in het hier besproken handschrift is deze vertaling in de volgende handschriften bewaard gebleven: Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19.407; Gent, Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 9; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 E 26, 78 J 63 en 129 C 23; Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek, Thott 314, 2o; Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 360 en Straatsburg, Bibliothèque Nationale et Universitaire, All. 176 (Cat. 2100). Deze vertaling werd tweemaal gedrukt: de eerste maal door Peter van Os te Zwolle in 1488 (Campbell, 1658), de tweede maal door Jan Seversz. te Leiden in 1515 (Nijhoff-Kronenberg, 2009).

Het hier besproken handschrift is waarschijnlijk in of bij Utrecht geschreven en daags vóór de feestdag van de Elfduizend Maagden, dus op 20 oktober, 1458 voltooid. In mei 1641 werd het door J. Kaldekerck gekocht. Het heeft aan A. Bentes toebehoord, wiens bibliotheek in 1702 in Amsterdam is geveild. Het heeft deel uitgemaakt van de bibliotheek-Enschedé te Haarlem, die in 1867 onder de hamer kwam. Op die veiling werd het gekocht door A. Bogaers (1795-1870), dichter, taalkundige en jurist, wiens verzameling handschriften en oude drukken na zijn dood door zijn dochter aan de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage is geschonken.

 

Cat.-A. Bentes, I, Amsterdam, 1702, p. 21, nr. 268; Verzameling van Nederlandsche prozastukken, van 1129-1476, naar tijdsorde gerangschikt, [uitgegeven door J. van Vloten], Leiden-Amsterdam, 1851, p. 281-296; Cat.-I., I. en I. Enschedé, Amsterdam, 's-Gravenhage, 1867, p. 51, nr. 490; W.A. van der Vet, Het Biënboec van Thomas van Cantimpré en zijn exempelen, 's-Gravenhage, 1902, p. 408-409 en passim; O. Heinertz, Die mittelniederdeutsche Version des Bienenbuches von Thomas von Chantimpré. Das erste Buch, Lund, 1906; Catalogus codicum manuscriptum Bibliothecae Regiae, I. Libri theologici, 's-Gravenhage, 1922, p. 171, nr. 612; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozaliteratuur en het volksgeloof der middeleeuwen, Groningen-Den Haag, 19262, p. 23-27; Middelnederlands geestelijk proza, verzameld door C.C. de Bruin en ingeleid door C.G.N. de Vooys, Zutphen, 1940, p. 200-204 en 342; Middelnederlandse stichtelijke exempelen, verzameld en uitgegeven door C.G.N. de Vooys, Zwolle, 1953, p. 7-9.