67. Thomas van Cantimpré, BienboecThomas van Cantimpré, Bonum universale de apibus, tweede Middelnederlandse vertaling; Een devote materie van den eerwerdigen heligen Sacrament, Gelderland (Nijmegen), ca. 1475.Papier; 268 bll.; blad en bladspiegel resp. 199 × 143 mm en 160 × 105 mm; 2 kol., 28 à 33 rr. per kol. Achttiende-eeuwse foliëring met zwarte, thans verbleekte inkt van 1 tot 231; daarop aansluitend een moderne potloodfoliëring tot 267, evenwel slechts op fol. 232, 233, 238, 240, 241, 251, 256, 261, 265, 266 en 267. Eén hand (litera bastarda). Opengewerkte rode initialen met paars en groen penwerk; een opengewerkte rode initiaal; rode lombarden, soms opengewerkt; rood opschrift op fol. 231roa, verder slechts zwarte titels met rood onderstreept; rode paragraaftekens. Op fol. 230vob, door de kopiist: Dit boeck heft gecopuliert bruder iohan van voirvelt geboiren in brabant en glorioes doctoer van der predikar orden; op fol. 267rob: Dit boeck hoert toe den ioffrouwen van marienberch. Achttiende-eeuwse kartonnen band met bruin kalfsleren rug en hoeken; rood gespikkelde sneden. Op de binnenzijde van het voorbord het ex-libris van de dominikanen te Nijmegen: e bibliotheca noviomagensi ff. Praedicatorum.
's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 135 F 11.
Dit handschrift bevat de tweede Middelnederlandse vertaling van het Bonum universale de apibus of Liber apum (fol. 1roa-230vob) en Een devote materie van den eerwerdighen heligen sacrament (fol. 231roa-267roa), een anoniem traktaat over de H. Eucharistie, waarvan ons geen andere handschriften bekend zijn. De tweede vertaling van het Bonum universale de apibus, die evenals de eerste in de Noordelijke Nederlanden is tot stand gekomen, is, behalve in het hier besproken handschrift, in de hss. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 5 D 6 en 5 F 21 bewaard gebleven. Een laat Ripuarisch afschrift daarvan, daterend van 1639, bevindt zich in hs. Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. fol. 1033. In tegenstelling tot de eerste vertaling werd de tweede vertaling niet gedrukt. In het hier besproken handschrift ontbreken 58 exempelen uit het Liber apum, die wél in hs. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1016 te vinden zijn; daarentegen komen er 5 exempelen uit het Liber apum in voor, die niet in het voornoemde Utrechtse handschrift staan. Bovendien bevat het 35 exempelen, die aan andere bronnen o.a. aan de Gesta Romanorum, de Dialogus miraculorum van Caesarius van Heisterbach, het Exordium magnum van Koenraad van Eberbach, de Dialogen van Gregorius de Grote en de Visio Tundali zijn ontleend.
In verschillende Middelnederlandse catechetische werken, al dan niet uit het Latijn vertaald, bevinden zich als toelichting van de leer exempelen uit het Bonum universale de apibus. In Die exposicie vanden pater noster, een vertaling van de Sermones quinquaginta super orationem dominicam van Herman Stekin († 1428), bewaard in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1654-55 en IV 389; Darmstadt, Landes- und Hochschulbibliothek, 449; Gent, Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 10 en Parijs, Bibliothèque de l'Arsenal, 8211, bevinden zich 10 exempelen, die uit het Bonum universale de apibus zijn overgenomen. In zijn eerste Diets kollatieboek dat in hs. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 3 L 6 volledig en in hs. Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 2231 gedeeltelijk is overgeleverd, heeft Dirc van Herxen (1381-1457) 13 exempelen uit het Liber apum opgenomen. In een anoniem collatieboek, bewaard in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 19549, bevinden zich een aantal exempelen, die aan het Liber apum zijn ontleend. In Die passie ons liefs heeren ihesu christi, overgeleverd in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2694 en Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 946, en in Marien bogaert, bewaard in hs. Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 946, staan resp. 5 en 2 exempelen, die uit het Liber apum zijn overgenomen. Ook in de verzamelingen Marialegenden, die in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 11146-48 en II 2454; Düsseldorf, Landes- und Stadtbibliothek, C 25; olim 's-Gravenhage, Sint-Aloysiuscollege, 4 en 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 70 H 42 bewaard zijn gebleven, bevinden zich exempelen, die aan het Liber apum zijn ontleend. Het bovenaangehaalde kolofon, waarin gezegd wordt dat Johan van Voirvelt dit boek heeft ‘gecopuliert’, lijkt op het eerste gezicht raadselachtig, maar is bij nader toezien gemakkelijk te verklaren. ‘Johan’ is een vergissing voor ‘Thomas’ en ‘Voirvelt’ is een verschrijving voor ‘Voisvelt’. Thomas van Voisvelt is gewoonweg een vertaling van ‘Thomas Cantipratanus’, de Latijnse naam van Thomas van Cantimpré (cantus = vois = voois of zang; pratum = weide, veld). In dat kolofon wordt dus gewoon gezegd dat Thomas van Cantimpré, ‘geboren in brabant en glorioes doctoer van der predikar orden’ dit boek heeft ‘gecopuliert’, d.i. gecompileerd of geschreven. Het hier besproken handschrift heeft toebehoord aan het regularissenklooster Marienburg te Nijmegen dat zich in 1422 bij het Kapittel van Windesheim aansloot en in 1592
werd opgeheven. Het heeft deel uitgemaakt van de bibliotheek van het Albertinum te Nijmegen. In 1965 werd het, samen met 11 andere handschriften uit het Albertinum, door de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage aangekocht.
J.H. Gallée, Uit bibliotheken en archieven, Tijdschrift voor Nederlandsche Taalen Letterkunde, 13 (1894), p. 259; W.A. van der Vet, Het Biënboec van Thomas van Cantimpré en zijn exempelen, 's-Gravenhage, 1902, p. 418-420; Verslag omtrent de Koninklijke Bibliotheek 1965, 's-Gravenhage, 1966, p. 19. |