69. Jacobus de Voragine, Legenda aurea

Jacobus de Voragine, Legenda aurea, Zuidnederlandse vertaling, Zuid-Brabant (wellicht Groenendael), ca. 1400.

Perkament; 3 + 405 + 2 bll.; blad en bladspiegel, resp. 240 × 160 mm en 165 × 111 mm; 2 kol., 41 rr. per kol. Oude foliëring met Romeinse cijfers; moderne inktfoliëring. Eén hand (littera textualis). Eén rood-blauwe initiaal, zeven zwart-rode initialen, verder slechts rode initialen, rode opschriften, zwarte koptitels. Vijftiende-eeuwse bruin kalfsleren band op houten borden; voor- en achterplat met dubbele filets versierd; sporen van twee sloten; rug vernieuwd.

 

Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.140.

 

 

De Legenda aurea van de dominikaan Jacobus de Voragine († 1298), in de tien laatste jaren van zijn leven bisschop van Genua, is de beroemdste verzameling heiligenlevens uit de middeleeuwen. Ofschoon de schrijver zijn werk bescheiden Legenda sanctorum had betiteld, werd het vrij spoedig uit bewondering algemeen Legenda aurea genoemd. Behalve de proloog bevat de Legenda aurea 182 hoofdstukken, waarvan er een twintigtal niet aan het leven van een heilige, maar aan een kerkelijke feestdag zijn gewijd. In de 14de en de 15de eeuw was het werk buitengewoon verspreid. De Latijnse tekst is in nagenoeg 600 handschriften en in vrijwel 90 drukken vóór 1500 bewaard gebleven. Spoedig werd de Legenda aurea in verschillende talen vertaald. Van die vertalingen zijn er vóór 1500 alles samen ongeveer 70 drukken verschenen.

De Legenda aurea werd tweemaal in het Middelnederlands vertaald. De ene vertaling werd in Zuid-, de andere in Noord-Nederland vervaardigd. De Zuidnederlandse vertaling, waarschijnlijk de oudste, werd reeds in 1357 voltooid. De anonieme vertaler, waarschijnlijk een benedictijn uit de abdij van Affligem, wordt gewoonlijk ‘de bijbelvertaler van 1360’ geheten, omdat hij in 1360-61 de historische boeken van het Oude Testament heeft verdietst. Zijn vertaling van de Legenda aurea is in talrijke handschriften bewaard gebleven, die zowat uit alle delen van het Nederlandse taalgebied afkomstig zijn. Tal van die handschriften bevatten ook

[p. 198]

een aantal toegevoegde levens, meestal van lokaal vereerde heiligen. Het oudste bewaarde handschrift van de Zuidnederlandse vertaling is hs. Brugge, Sint-Janshospitaal, in 1358 van het origineel afgeschreven; het bevat echter nog slechts het laatste derde van het werk. Drie handschriften bevatten deze vertaling nagenoeg volledig: het hier besproken handschrift; hs. Stockholm, Koninklijke Bibliotheek, A 159 en hs. Londen, British Museum, Add. 18.162.

Onder de andere handschriften, die slechts het winter- of het zomerstuk of een kleiner deel van de Zuidnederlandse vertaling bevatten, vermelden we de hss. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, VI B 15; Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. fol. 956 en 1361; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 388, 1116, 3402-03, 4299, 8027, 11.729-30, 19-554 en IV 138; Deventer, Athenaeumbibliotheek, 101 F 13 (Cat. 41), 101 F 9 (Cat. 43), 101 F 10 (Cat. 44), 101 F 11 (Cat. 45) en 101 D 5 (Cat. 46); Düsseldorf, Landes- und Stadtbibliothek, C 20 en C 23; Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 529 en 896; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 70 E 14, 70 E 15, 70 H 40, 73 E 33, 73 D 9, 73 H 11, 75 E 16, 75 E 17, 129 G 9 en 133 B 17; Leeuwarden, Provinciale Bibliotheek, 684; Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 263, 279, 280, 281 en B.P.L. 61 en 86; Londen, British Museum, Add. 20.034; Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 5 F 12; Utrecht, Centraal Museum, Cat. 1569 en Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 15.418; bovendien zijn fragmenten bewaard in de hss. Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Hs.-Fragm. 11; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, II 115, 6 en II 5336; Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 1761 en Oxford, Bodleian Library, Dutch b 2, f. 4. Middelfrankische afschriften van de Zuidnederlandse vertaling zijn bewaard gebleven in de hss. Darmstadt, Hessische Landes- und Hochschulbibliothek, 144, 814 en 2196; Keulen, Stadtarchiv, W. fo 165 en W. fo 169; Neurenberg, Germanisches Nationalmuseum, 8826; Parijs, Bibliothèque Nationale, all. 35 en Trier, Stadtbibliothek, 487 (Cat. 1185) en 492 (Cat. 1191). Een Middelnederduitse bewerking van dezelfde vertaling bevindt zich volledig in hs. Hannover, Niedersächsische Landesbibliothek, 189a en gedeeltelijk in hs. Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. quart. 524. De Zuidnederlandse vertaling werd tussen 1478 en 1516 in een winter- en

[p. 199]

een zomerstuk, telkens met toegevoegde legenden, twaalfmaal gedrukt. De Ripuarische bewerking ervan werd in 1485, eveneens in twee delen, te Keulen ter perse gelegd.

Het hier besproken handschrift is het beste van de drie handschriften, die de Zuidnederlandse vertaling nagenoeg volledig bevatten. Behalve de proloog van de vertaler en de proloog van de schrijver bevat het 172 hoofdstukken uit de Legenda aurea en twee toegevoegde legenden, nl. Van sinte alexise (fol. 196voa-199rob) en Van sinte marinen (fol. 199rob-200vob), die aan Der vader boec, een vertaling van Vitae patrum, II en van heiligenlevens uit Vitae patrum, I en andere werken, zijn ontleend. Misschien is dit handschrift uit het klooster Groenendael afkomstig. In 1812 werd het door K. van Hulthem op een veiling te Brussel gekocht, samen met twee andere Middelnederlandse handschriften, afkomstig uit Groenendael, wat de bovenstaande onderstelling dat het aan Groenendael heeft toebehoord, misschien enige kracht bijzet. In ieder geval is die mogelijke herkomst niet in tegenspraak met de Zuidbrabantse taaleigenaardigheden. In 1837 kwam het handschrift, samen met de verzameling-K, van Hulthem, in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.

 

Catalogue d'une superbe collection de livres, Brussel, 1812, p. 39, nr. 373; Bibliotheca Hulthemiana, VI, Gent, 1837, p. 15, nr. 49; C.G.N. de Vooys, Iets over middeleeuwse bijbelvertalingen, Theologisch Tijdschrift, 37 (1903), p. 149-151; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse Marialegenden, II, Leiden, [1903], p. LXV-LXVI, 262-270; C.H. Ebbinge Wubben, Over Middelnederlandse vertalingen van het Oude Testament. Bouwstoffen voor de geschiedenis der Nederlandsche bijbelvertaling, 's-Gravenhage, 1903, p. 106-107; J. Van den Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque royale de Belgique, V, Brussel, 1905, p. 403, nr. 3431; K. de Flou, De oudste Dietsche vertaling der Gulden Legende, Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Vlaamsche Academie voor Taal- en Letterkunde, 1923, p. 183-189; C.G.N. de Vooys, Middelnederlandse legenden en exempelen. Bijdrage tot de kennis van de prozalitteratuur en het volksgeloof in de middeleeuwen, Groningen-Den Haag, 19262, p. 28; Die eerste bliscap van Maria, opnieuw uitgegeven en toegelicht door W. de Vreese, 's-Gravenhage, 1931, p. XXIX, 143-146; Middelnederlands geestelijk proza, verzameld door C.C. de Bruin en ingeleid door C.G.N. de Vooys, Zutphen, 1940, p. XXIII, 163-165 en 204-205; J. Deschamps, De Middelnederlandse vertalingen van de Legenda aurea van Jacobus de Voragine, Handelingen van het 22ste Nederlands Philologencongres, Groningen, 1952, p. 21-22; Karel van Hulthem, 1764-1832, Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1964, p. 272-274, nr. 109; Vijftien jaar aanwinsten. Sedert de eerstesteenlegging tot de plechtige inwijding van de Bibliotheek, Brussel, Koninklijke Bibliotheek Albert I, 1969, p. 122-123, nr. 97; St. G. Axters, Bibliotheca Dominicana Neerlandica Manuscripta 1224-1500, Leuven, 1970, p. 160-171 (Bibliothèque de la Revue d'histoire ecclésiastique, 49).