70. Jacobus de Voragine, Legenda aureaJacobus de Voragine, Legenda aurea, Noordnederlandse vertaling, waarschijnlijk Kalkar, ca. 1480.Papier; 2 + 193 + 2 bll.; blad en bladspiegel resp. 280 × 200 mm en 205 × 145 mm; 2 kol., 46 à 56 rr. per kol. Foliëring met Arabische cijfers. Eén hand (tekst: littera cursiva; rode opschriften: littera bastarda), behalve de foliëring en het register op de schutbladen, die door een zeventiende-eeuwse hand zijn geschreven. Opengewerkte rode initiaal met zwart en rood penwerk; rode lombarden, titels en paragraaftekens; eigennamen rood onderstreept. Zeventiende-eeuwse donkerbruin kalfsleren band op eiken borden; voor- en achterplat met filets versierd; twee koperen sloten.
Wolfenbüttel, Herzog August Bibliothek, 80, 5 Aug. 2o.
De Noordnederlandse vertaling van de Legenda aurea was blijkens de herkomst van de bewaarde handschriften slechts in Noord-Nederland en in Duitse grensstreken, waar in de middeleeuwen Nederlands werd gesproken, verspreid. Het oudste handschrift, waarin legenden uit de Legenda aurea in de Noordnederlandse vertaling voorkomen, is hs. Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 278 dat in 1420 is geschreven. We mogen aannemen dat deze vertaling omstreeks 1400 tot stand is gekomen. Zij werd niet gedrukt en bewerkingen ervan in Duitse grensdialekten zijn niet bekend. Een handschrift, waarin de Noordnederlandse vertaling volledig of bijna volledig voorkomt, is tot nog toe niet aan het licht gekomen. Het hier besproken handschrift bevat 112 van de 182 hoofdstukken, waaruit de Legenda aurea bestaat, nl. 25 uit het winter- en 87 uit het zomerstuk. Het is het handschrift, waarin de meeste legenden in de Noordnederlandse vertaling voorkomen en meteen het enige, waarin het zomerstuk bijna volledig is overgeleverd. Nagenoeg volledig is het winterstuk bewaard gebleven in de hss. Bornem, Sint-Bernardusabdij, 70-71 en Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 123. Legenden uit de Legenda aurea in deze vertaling komen nog voor in de hss. 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 133 E 6 en Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 280 en 283. Een handschrift, omstreeks 1930 in het bezit van het Antiquariaat B.M. Israël te Arnhem, bevat zes legenden uit het winter- en drie uit het zomerstuk. Hs. Würzburg, Universiteitsbibliotheek, ch. qu. 144 bevat de legende van Barlaam en Josaphat uit de Legenda aurea in de Noordnederlandse vertaling. Opmerking verdient dat een aantal handschriften legenden uit de
Noord- en de Zuidnederlandse vertaling bevatten, nl. de hss. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, VI B 14; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 78 F 1; Kassel, Landesbibliothek, ms. theol. fol. 56 en Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 278. Vermeldenswaard is dat hs. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 8 J 33 (Cat. 1690) drie legenden uit de Legenda aurea in een derde vertaling bevat, nl. Die legende van sunte Eustachius (fol. 200voa-207vob), Vanden heiligen bisscop sunte Basilius (fol. 207vob-214roa) en Van sunte iohannes den Almoesennier (fol. 218roa-223vob). Het hier besproken handschrift bevat, behalve 112 legenden uit de Legenda aurea, een aantal toegevoegde legenden o.a. Vanden x dusent mertelaren (fol. 116vob-117roa), Van sunte Barbera (fol. 143roa-144rob), Van sunte Olaff, coninck in noerwegen ende in deenmercken (fol. 180roa-182rob), Van sunte Ewout, den heiligen bisschop, in gepaard rijmende verzen (fol. 182rob-183voa) en Van sunte vincent de ferrario inder prediker oerden (fol. 183voa-193vob). Op fol. 193vob schreef de zeventiende-eeuwse hand, die de foliëring heeft aangebracht en het register heeft geschreven: ‘in Calker’. Hieruit blijkt dat het handschrift zich in de 17de eeuw in Kalkar bevond. Volgens de taaleigenaardigheden moet het evenwel ook in Kalkar of in de omstreken daarvan tot stand zijn gekomen. Het jaartal 1457 dat op fol. 193vob, op het einde van de legende van de H. Vincentius Ferrerius, voorkomt, werd uit een ouder handschrift overgenomen en kan slechts als een datum post quem worden beschouwd. Blijkens de watermerken en het schrift is het handschrift omstreeks 1480 geschreven. Het heeft deel uitgemaakt van de verzameling handschriften van Augustus de Jongere (1579-1666), hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, de grondlegger van de Herzogliche Bibliothek, later Herzog August Bibliothek, te Wolfenbüttel.
O. von Heinemann, Die Handschriften der Herzoglichen Bibliothek zu Wolfenbuüttel. Zweite Abtheilung. Die Augusteischen Handschriften, IV, Wolfenbüttel, 1900, p. 16, nr. 2789; C. Borchling, Mittelniederdeutsche Handschriften in Wolfenbüttel und einigen benachbarten Bibliotheken, Dritter Reisebericht, Göttingen, 1902, p. 95-96 (Nachrichten von der Königlichen Gesellschaft der Wissenschaften zu Göttingen. Philologisch-historische Klasse, 1902, Beiheft); J. Deschamps, De Middelnederlandse vertalingen van de Legenda aurea, Handelingen van het 22ste Nederlands Philologen-congres, Groningen, 1952, p. 21-22; J. Deschamps, Middelnederlandse vertalingen van Super modo vivendi (7de hoofdstuk) en De libris teutonicalibus van Gerard Zerbolt van Zutphen, II, Handelingen der Koninklijke
Zuidnederlandse Maatschappij voor Taal- en Letterkunde en Geschiedenis, 15 (1961), p. 176; St. G. Axters, Bibliotheca Dominicana Neerlandica Manuscripta 1224-1500, Leuven, 1970, p. 160-171 (Bibliothèque de la Revue d'histoire ecclésiastique, 49). |