78. Guillaume de Deguileville, Pelgrimagie van der menscheliker creaturen; Jacob van Maerlant, Eerste, tweede en derde MartijnGuillaume de Digulleville, Le pèlerinage de la vie humaine, Middelnederlandse vertaling; Jacob van Maerlant, Van ons heren wonden, Eerste Martijn, Tweede Martijn en Vander drievoudicheide en andere teksten, Holland, eerste helft van de 15de eeuw.Perkament; 1 + 152 + 1 bll.; blad 240 × 170 mm, moderne potloodfoliëring. Twee gedeelten. Eerste gedeelte (fol. 1-140): bladspiegel 171 × 122 mm; 2 kol., 36 of 37 rr. per kol.; één hand (littera bastarda); twee rode initialen; afwisselend rode en blauwe lombarden; rode titels; één grote miniatuur (120 × 120 mm) en 22 kleine miniaturen. Tweede gedeelte (fol. 141-152): bladspiegel 169 à 173 × ca. 125 mm; 40 à 43 rr. per kol.; één hand (littera bastarda); rode initiaal; rode lombarden. Oorspronkelijke donkerbruin kalfsleren band op eiken borden; voor- en achterplat met dubbele filets versierd; in de vier hoeken en in het midden van het voor- en het achterplat koperen knoppen; een gedreven koperen slot, waaraan de sluithaak ontbreekt; rode sneden; rug, randen en hoeken vernieuwd. Ex-libris van C.G. Hultman.
's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 76 E 6.
Het grootste gedeelte van dit handschrift (fol. 1roa-128vob) wordt ingenomen door Die pelgrimage vander menscheliker creaturen, een prozavertaling van Le pèlerinage de la vie humaine, een allegorisch dichtwerk van Guillaume de Digulleville (1295-na 1358) een monnik uit de cisterciënzerabdij van Chaalis bij Senlis. Dit dichtwerk, geschreven tussen 1330 en 1332, is het eerste deel van een trilogie, waarvan de beide andere delen zijn getiteld Le pèlerinage de l'âme en Le pèlerinage de Jésus Christ. In een droom ziet Guillaume de Digulleville het hemelse Jerusalem en wil daarheen een pelgrimstocht ondernemen. Vrouw Genade bezorgt hem de gordel van het geloof en de staf van de hoop, de H. Kerk de sacramenten. Deugden wil hij op zijn tocht niet meenemen, daar zij te zwaar zijn om te dragen. Daardoor is hij minder opgewassen tegen allerlei avonturen (ketterijen, begeerlijkheid, ledigheid) en minder gewapend tegen allerhande wangedrochten (hoofdzonden), die hem belagen. Zeker zou hij in de zee van de wereld zijn verdronken, was hij niet aan boord van het schip van de eeuwige zaligheid kunnen klimmen (de orde der cisterciënzers, de abdij van Chaalis). Wellicht reeds in de 14de eeuw kwam er in Vlaanderen een prozavertaling van de Pèlerinage de la vie humaine tot stand. Behalve in dit handschrift is die vertaling in de hss. Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. fol. 624 en Haarlem, Bisschoppelijk Museum, 93 bewaard gebleven. Verder bevat het hier besproken handschrift: 1. Een argument tusschen oetmoedicheit ende die ere vander werlt ende tusschen rijcheit ende armoede ende tusschen sollaes ende penitencie (fol. 129roa-134rob), een strofisch gedicht van 736 verzen; 2. een berijmde mystieke verklaring van het aardse paradijs (fol. 134voa-135rob); 3. Ten beelde ons heren (Ons heren wonden) (fol. 135rob-136roa), een strofisch gedicht van Jacob van Maerlant, bewerkt naar de hymne Omnibus consideratis paradisus voluptatis, eveneens bewaard in de hss. Brugge, Bisschoppelijk Seminarie, 72/175; Groningen, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 405 en Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 4 F 18; 4. Van te leren sterven (fol. 136rob-137roa), een gedicht; 5. Dit is den rechten wech te hemelrijke waert (fol. 137roa-139rob), een gedicht, en 5. de Eerste Martijn, de Tweede Martijn en Vander drievoudicheide (de Derde Martijn) (fol. 141roa-152roa), drie strofische gedichten van Jacob van Maerlant, ook voorkomend in de hss. 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 F 19; Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1374; Groningen, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 405; Oxford, Bodleian Library, ms. Canon. Misc. 278 en Stuttgart, Württembergische Landesbibliothek, Cod. poet. et philol. fol. 22, alsook in een druk van 1496 door Henrick die Lettersnider te Antwerpen (Campbell, 1026) en fragmentarisch in de hss. Gent, Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde en Heidelberg, Universiteisbibliotheek, Heidelb. 362a, 83; bovendien is Vander drievoudicheide nog in hs. Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 13.708 overgeleverd. Het hier besproken handschrift is in de eerste helft van de 15de eeuw in Holland naar een Oostvlaams model geschreven. Het heeft toebehoord aan M. Röver (1719-1803), wiens bibliotheek in 1806 te Leiden werd geveild. Daarna was het in het bezit van C.G. Hultman (1752-1820). Op de veiling-C.G. Hultman werd het in 1821 door de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage gekocht.
Cat.-M. Röver, Leiden, 1806, p. 152, nr. 51; Cat.-C.G. Hultman, 's-Hertogenbosch, 1821, p. 2, nr. 4; Jacob van Maerlant's Wapene Martijn met de vervolgen, kritisch uitgegeven en toegelicht. Academisch proefschrift ... door E. Verwijs, Deventer, 1857, p. XXXIX-XL en passim; J. Verdam, Een vierde tekst van ‘Ons Heren Wonden’, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 14 (1895), p. 94-110; J. Verdam, Nieuwe aanwinsten voor de kennis onzer middeleeuwsche taal, Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afdeeling Letterkunde, Derde reeks, 12 (1896), p. 137-146, 159-184; Jacob van Maerlant's Strophische gedichten door J. Franck en J. Verdam, Leiden, [1898],
p. XII, XV en passim; J.J. Salverda de Grave, Over de Middelnederlandsche vertaling van de Pèlerinage de la vie humaine, Tijdschrift voor Nederlandsche Taalen Letterkunde, 23 (1904), p. 1-40; Jacob van Maerlant's Strophische gedichten. Nieuwe bewerking der uitgave van Franck en Verdam door J. Verdam en P. Leendertz Jr., Leiden, 1918, p. XIV, XVI en passim; Die Pilgerfahrt des träumenden Mönchs. Nach der Kölner Handschrift herausgegeben von A. Meijboom, Bonn en Leipzig, 1925, p. 4*. |