80. Henricus Suso, Orloy der ewigher wijsheit

Henricus Suso, Horologium Aeternae Sapientiae, Middelnederlandse vertaling, Brabant, ca. 1350.

Perkament; 5 + 158 bll.; blad en bladspiegel resp. 186 × 129 mm en 130 × ca. 90 mm; 2 kol., 28 rr per kol. Moderne foliëring met zwarte inkt van A tot F, daarna oude foliëring met zwarte Romeinse cijfers in de linkerbovenhoek van elke versozijde (74 echter overgeslagen). Eén hand (littera textualis), behalve de inhoud, een aantal correcties, het eigendomsmerk en aantekeningen. Rood-blauwe initialen met rood penwerk; afwisselend rode lombarden met blauw en blauwe lombarden met rood penwerk; rode titels. Op het perkamenten blad dat op de binnenzijde van het achterbord is geplakt in een laat-veertiende-eeuwse hand (littera cursiva): Jnt Jaer ons heeren .M.CCC.lxxxviij. Op den ellefsten dach Jn meerte / dat was dondersdach na grooet vastelauont quam Ghijsbrecht spijsken Jnt cloester van sinte pauwels Jn zonie ende brachte dit boec dat heet dorloy vander eewegher wijsheit Ende gaeft den prioer te behoef der leeker bruedere ende [...] Met deser voerwaerden / eest dat hi binnen sinen leuene dit boec selue ende niemen anders weder hebben wilt / dat men hem seluen ende niemen anders dit boec weder gheuen sal. End en wilt hijt selue niet weder hebben so saelt den cloestere voerseit eewelec bliuen. God si sijn loen; op het perkamenten schutblad dat op de binnenzijde van het voorbord is geplakt, bovenaan, in een hand uit de tweede helft van de 15de eeuw (littera bastarda): Dit boeck hoort toe ten Rooden cloostere Jnden bosch van zonien bij brusselle; op fol Cro, bovenaan, in een laat-vijftiende-eeuwse hand (littera cursiva): Desen boeck salmen ten Refter lesen Na sijnder ordynanchien ende es den xvjten boeck inder taffelen ghescreuen. Vijftiende-eeuwse schapeleren band op eiken borden; voor- en achterplat versierd met telkens twee dezelfde paneelstempels met middenin een Christus-medaillon met de woorden: salue sancta facies nostri redemptoris; aan weerszijden van het medaillon op banderollen: discite a me quia mitis sum et humilis; sporen van twee sloten; op het vooren het achterplat sporen van vijf knoppen; sporen van koperen bandjes op de hoeken.

 

Parijs, Bibliothèque de l'Arsenal, 8224.

 

 

Samen met zijn ordegenoten Meester Eckhart en Johannes Tauler behoort de dominikaan Henricus Suso tot de drie grote figuren van de Duitse mystiek. Hij werd omstreeks 1295 in Konstanz geboren.

[p. 222]

Op dertienjarige leeftijd trad hij in het dominikanenklooster van zijn vaderstad. Op achttienjarige leeftijd beleefde hij, volgens zijn eigen woorden, zijn mystieke ommekeer en begon een lange tijd van boetvaardigheid, zelfpijnigingen en mystieke visioenen. Tot 1348 bracht hij het grootste deel van zijn leven in Konstanz door, zich door brieven en preken aan de zielzorg in de Zwitserse en Zuidduitse dominikanessenkloosters wijdend. Zijn verblijf in Konstanz werd alleen onderbroken door zijn studiën in Straatsburg en daarna in Keulen, waar Meester Eckhart zijn leermeester was, en door predikreizen in West-Duitsland en de Nederlanden. Enkele jaren was hij lector in of prior van het klooster. Zijn laatste levensjaren bracht hij te Ulm door, waar hij in 1366 overleed. Een van zijn voornaamste werken is het tussen 1327 en 1334 geschreven Büchlein der ewigen Weisheit, waarvan hij onder de titel Horologuim Aeternae Sapientiae een vermeerderde Latijnse vertaling bezorgde. Het Horologium telt, naar de 24 uren van de dag, 24 hoofdstukken, 6 in het eerste en 8 in het tweede boek. Het is geschreven in de vorm van een dialoog tussen de Eeuwige Wijsheid (God) en de discipel (Suso). Het bestaat vooral uit overwegingen over het leven en het lijden van Christus en de smarten van de H. Maagd, maar handelt ook over andere onderwerpen o.a. over de goddelijke liefde, de hellepijnen en de kunst om een zalige dood te sterven.

Door de nauwe kontakten tussen de devoten in de Nederlanden en de Duitse ‘Gottesfreunde’ was het Horologium spoedig in onze gewesten verspreid. Omstreeks 1340 werd het door een Brabander in het Diets vertaald. In die vertaling ontbreken echter de proloog en een drietal hoofdstukken, daar zij naar een Latijnse redactie is gemaakt, waarin die gedeelten ontbraken. Omstreeks 1400 werd die vertaling door een vertaler uit de kring van de Moderne Devoten herzien en werden de ontbrekende gedeelten vertaald. Behalve in het hier besproken handschrift komt de oude vertaling of de herziene redactie daarvan in de volgende handschriften voor: Amsterdam, Universiteitsbiblioteek, I G 48 en I G 49; Antwerpen, Museum Plantin-Moretus, 243; Brugge, Groot Seminarie, 99; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2246 en 2846; Düsseldorf, Landes- und Stadtbibliothek, B 144; Greifswald, Universiteitsbibliotheek, Ms. Batava in 4o, 1; Haus Offer (ook genoemd Haus Ruhr), Westfalen, Bibliotheek van Ernst Lothar von und zur Mühlen, 20; Parijs, Bibliothèque de l'Arsenal, 8215 en Wenen, Österreichische

[p. 223]

Nationalbibliothek, Ser. nov. 65. Lange excerpten komen o.a. in de volgende handschriften voor: Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, I G 28 en I G 42; Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. quart. 553 en 1253; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 3004, 10.765-66 en 11.231-36; Düsseldorf, Kunstmuseum, Inv. 11.285; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 G 36 en 73 H 19; Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 351 en 353 en B.P.L. 2231 en 2706; Oudenaarde, Stadsbibliotheek, 5556/13 en Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 3 L 6. Gebeden, aan het Horologium ontleend, komen in tal van Middelnederlandse gebedenboeken voor.

Het hier besproken handschrift, geschreven omstreeks 1350, werd in 1388 door Ghijsbrecht Spijsken ten behoeve van de lekebroeders aan Rooklooster geschonken. Het staat vermeld in de lijst van de Dietse boeken, die Rooklooster in 1393 bezat, welke lijst in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1351-72 bewaard is gebleven. Later werd het in een thans verloren boekenlijst opgenomen, waarin het als nr. 16 voorkwam. Rooklooster werd op 13 april 1784 opgeheven. De handschriften werden eerst naar het voormalige Brusselse kartuizerklooster, daarna naar de lokalen van het Comité de la caisse de religion in het gebouw van de Rekenkamer te Brussel gebracht. Een groot aantal handschriften uit de afgeschafte Brabantse kloosters, waaronder het hier besprokene, werd aldaar in 1794 door Franse commissarissen in beslag genomen en naar Parijs gevoerd. Aldaar werden die handschriften over de Bibliothèque Nationale, de Bibliothèque de l'Arsenal en de Bibliothèque Mazarine verdeeld. Het hier besproken handschrift kwam in de Bibliothèque de l'Arsenal terecht. In 1815 werd het grootste gedeelte van de in 1794 in beslag genomen handschriften uit de opgeheven Brabantse kloosters, die in de Bibliothèque Nationale beland waren, door de Fransen teruggegeven, niet echter die welke aan de Bibliothèque de l'Arsenal en aan de Bibliothèque Mazarine waren toegewezen.

 

H. Martin, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque de l'Arsenal, VI, Parijs, 1892, p. 444-445, nr. 8224; A.G.M. van de Wijnpersse, De Dietse vertaling van Suso's Horologium Aeternae Sapientiae, Groningen-'s-Gravenhage, 1926, p. 22-27, 111-201 en passim; Oerloy der ewigher wijsheit (Horlogium Sapientiae door Henricus Suso O.P.), uitgegeven door Zuster Hildegarde van de Wijnpersse, Groningen-Batavia, 1938; J.J. Mak, De Dietse vertaling van Gerlach Peters' Soliloquium, [Asten], z.j., p. 154-163; P.J.H. Vermeeren, Op zoek naar de librije van Rooklooster, Het Boek, 35 (1961-63), p. 141; St. Axters, De zalige

[p. 224]

Heinrich Seuse in Nederlandse handschriften, Heinrich Seuse. Studien zum 600. Todestag 1366-1966. Gesammelt und herausgegeben von Ephrem M. Filthaut, Keulen, [1966], p. 369; St. Axters, Bibliotheca Dominicana Neerlandica Manuscripta 1224-1500, Leuven, 1970, p. 212 (Bibliothèque de la Revue d'histoire ecclésiastique, 49).