[p. 241]

87. Ridderboec; Willem Jordaens, De mystieke mondkus

Ridderboec; Meester Eckhart, Predigten (3), Middelnederlandse vertaling; Johannes Tauler, Predigten (23), Middelnederlandse vertaling; Jordanus van Quedlinburg, Sermones (4), Middelnederlandse vertaling; Alijt Bake, Klooster-onderrichtingen, De vier wegen der passien en Boexken vander passien ons heren; Willem Jordaens, De mystieke mondkus; Preken en Traktaten; Brabant (waarschijnlijk Groenendael), ca. 1475 en ca. 1450.

Papier en perkament; 3 + 227 + 3 bll.; blad 391 × 205 mm, 2 kol., moderne inktfoliëring. Twee gedeelten. Eerste gedeelte (fol. 1-113); bladspiegel 205 à 210 × ca. 150 mm, 37 of 38 rr. per kol., één hand (littera bastarda), opengewerkte rode initiaal met zwart penwerk, opengewerkte rode initiaal, rode lombarden, eigennamen rood onderstreept, rode kapittelnummering. Tweede gedeelte (fol. 114-227): bladspiegel 217 à 220 × ca. 150 mm, 52 à 62 rr. (fol. 114roa-198voa) en 44 à 56 rr. (fol. 198vob-227rob) per kol.; twee handen (littera bastarda): de eerste hand schreef fol. 114ror-198roa, de tweede fol. 198vob-227rob; initialen, lombarden en titels niet ingevuld. Op fol. 198voa: Bidt voor diet maecte ende heeft gescr[e]uen Want zij arm door gode es bleuen Doe men. M. vierhondert screef na dat ihesus ant cruce bleef en[de] .xlvj. ofte daer omtrent soe was dit eerst ghemaect te ghent van zuster alijt der priorinnen van galileen god wille haer ziele gewinnen (laatste 15 woorden doorgehaald) (kolofon uit legger overgenomen); op het oude papieren schutblad voorin, bovenaan: Die Liberije. Moderne eiken band met rug van donkergroen Nigeriaans geiteleer en met twee koperen sloten (M.J. Marchoul, 1968); op de binnenzijde van het voor- en het achterbord resp. het met filets en bloemstempeltjes versierde voor- en achterplat van de oorspronkelijke bruin kalfsleren band.

 

Pl. 65

 

Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 643-44.

 

 

Het eerste gedeelte van dit handschrift (fol. 1ro-113vo) bevat het Ridderboec, een breed opgezet traktaat over de christelijke leer, ca. 1415 door een onbekend auteur voor de hogere Brabantse kringen geschreven. In dit traktaat, waarin het proza door berijmde gedeelten wordt afgewisseld en de leer door een aantal exempelen wordt toegelicht, neemt de allegorie een belangrijke plaats in. Aandacht verdienen de uitweidingen over de zeven hoofdzonden, de misbruiken in de maatschappij en het onzevader. Het Ridderboec is slechts in dit handschrift bewaard gebleven; een excerpt over het onzevader komt evenwel ook voor in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 3986-89. De kopiist van het eerste gedeelte heeft nog zes andere handschriften geheel of gedeeltelijk geschreven: Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2137-38 (Groenendael), 2694 (Rooklooster) en 11.150 (Groenendael); Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit,

[p. 242]

1016 (Brussel, Jericho; gekregen van Thomas Moonincx, prior van Groenendael van 1467 tot aan zijn dood in 1483) en 1080 (Zevenborren) en 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 71 H 6 (Groenendael). Hieruit mogen we afleiden dat het eerste gedeelte van het hier besproken handschrift waarschijnlijk geschreven is in Groenendael, misschien door de bovengenoemde Thomas Moonincx, die voordat hij tot prior van Groenendael werd verkozen, drie jaar prior in Zevenborren is geweest en blijkens een aantekening in het voornoemde hs. Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1016 betrekkingen met het klooster Jericho te Brussel heeft gehad.

Het tweede gedeelte van dit handschrift (fol. 114ro-227vo) bevat drie preken van Meester Eckhart, 21 preken van Johannes Tauler en acht andere preken en traktaten, waaronder Van der oedmodicheyt, een vertaling van het Compendium divini amoris (Totius vitae spiritualis summa, 1); verder drie preken over het evangelie van Palmzondag uit het Opus postillarum et sermonum de tempore van Jordanus van Quedlinburg (ca. 1300-1380) en vijf kloosteronderrichtingen over hetzelfde evangelie door Alijt Bake (1415-1455), priores van het klooster Galilea te Gent; vervolgens De vier wegen der passien (De vier kruiswegen), ook bewaard in de hss. Brussel, Stadsarchief, 2915 en 's-Hertogenbosch, Bisschoppelijk Museum, 401, en het Boexken vander passien ons heren, eveneens overgeleverd in hs. 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 135 F 12, twee traktaten van de voornoemde Alijt Bake; ten slotte De mystieke mondkus, een traktaat van Willem Jordaens van Heerzele (ca. 1321-1372), magister in de theologie en kanunnik in Groenendael, eveneens bewaard in hs. Antwerpen, Ruusbroecgenootschap, 3851. Het eerste stuk (fol. 114ro-198vo) van het tweede gedeelte wordt door het bovenaangehaalde kolofon afgesloten volgens hetwelk dit stuk door Alijt Bake, priores van het klooster Galilea te Gent, in 1446 zou zijn afgeschreven. Blijkbaar is dit kolofon door de kopiist uit zijn voorbeeld overgenomen. Dit stuk is dus niet in 1446, maar volgens de watermerken enkele jaren later, waarschijnlijk omstreeks 1450 geschreven. Het tweede gedeelte (fol. 114ro-227vo) is vermoedelijk in hetzelfde klooster als het eerste gedeelte, dus in Groenendael, tot stand gekomen. Niet lang na de voltooiing van het eerste gedeelte werden de twee gedeelten samengebonden. Samen met de handschriften uit de Brabantse kloosters, die in 1783-1784 door Jozef II werden afgeschaft, kwam dit handschrift

[p. 243]

op het einde van de 18de eeuw via het Comité de la caisse de religion in de Bourgondische Bibliotheek, thans Koninklijke Bibliotheek, te Brussel. Daar de rode stempel van de Bibliothèque Nationale te Parijs er niet in voorkomt, behoorde het niet tot de handschriften, die in 1794 door de Franse commissarissen in beslag zijn genomen en in 1815 zijn teruggegeven.

 

J. Van den Gheyn, Catalogue des manuscrits de la Bibliothèque royale de Belgique, III, 1903, p. 230, nr. 1991; C.G.N. de Vooys, Verspreide Mnl. geestelike gedichten, liederen en rijmspreuken, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 23 (1904), p. 54; W. Dolch, Die Verbreitung oberländischer Mystikerwerke im Niederländischen. Auf Grund der Handschriften dargestellt, I, Weida i. Th., 1909, p. 9, 39, 40, 61, 80, 81 en 83; St. Axters, Bijdragen tot een bibliographie van de Nederlandsch dominikaansche vroomheid, I, Ons Geestelijk Erf, 6 (1932), p. 121, nr. 123 en p. 139-140, nr. 179; G.I. Lieftinck, De Middelnederlandsche Tauler-handschriften, Groningen-Batavia, 1936, p. 11-26, 211-244, 275-278, 369-382; G.I. Lieftinck, Het Ridderboec, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 62 (1942), p. 14-39; G.I. Lieftinck, Het Ridderboec afgeschreven in Groenendael, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 65 (1948), p. 260-262; M.A. Lücker, Meister Eckhart und die Devotio Moderna, Leiden, 1950, p. 159, nr. 12 (Studiën und Texte zur Geistesgeschichte des Mittelalters, 1); G.J. Peeters, Dietse tekst en verspreiding van de ‘Totius vitae spiritualis summa’ I, Ons Geestelijk Erf, 26 (1952), p. 188; R. Lievens, Alijt Bake van Utrecht, Nederlandsch Archief voor Kerkgeschiedenis, 42 (1957-1958), p. 127-151; R. Lievens, Jordanus van Quedlinburg in de Nederlanden. Een onderzoek van de handschriften, Gent, 1958, p. 189-194 (Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, Reeks VI, nr. 82); St. Axters, Joannes Tauler in de Nederlanden, Johannes Tauler. Ein deutscher Mystiker. Gedenkschrift zum 600. Todestag, herausgegeben von E. Filthaut, Essen, 1961, p. 349; G. Hofmann, Literaturgeschichtliche Grundlagen zur Tauler-Forschung, Johannes Tauler. Ein deutscher Mystiker. Gedenkschrift zum 600. Todestag, herausgegeben van E. Filthaut, Essen, 1961, p. 444; W. van Eeghem, Brusselse dichters, Vierde reeks, Brussel, 1963, p. 105-140; L. Reypens, Een nog onbekende mystieke grootheid in onze veertiendeeuwse mystieke letteren, Ons Geestelijk Erf, 37 (1963), p. 244-246; B. Spaapen, Middeleeuwse passie-mystiek, II. De vier kruiswegen van Alijt Bake, Ons Geestelijk Erf, 40 (1966), p. 5-64; A. Ampe, Willem Jordaens in nieuw perspectief, Ons Geestelijk Erf, 40 (1966), p. 144; Meester Willem Jordaens ‘De oris osculo’ of De mystieke mondkus. Kritisch en voor het eerst uitgegeven door L. Reypens, Antwerpen, 1967 (Studiën en Tekstuitgaven van Ons Geestelijk Erf, 17); B. Spaapen, Middeleeuwse passiemystiek, V. De kloosteronderrichtingen van Alijt Bake, Ons Geestelijk Erf, 42 (1968), p. 5-32, 225-261 en 374-421; 43 (1969), p. 270-304.