89. Dat scarcspel; Jan van den Bergh, Dat kaetspel ghemoralizeert

Jacobus de Cessolis, Ludus scaccorum, Middelnederlandse bewerking; Jan van den Bergh, Dat kaetspel ghemoralizeert, West-Vlaanderen (Brugge), 1481 en ca. 1480.

Papier; 2 + 162 + 1 bll., blad 277 × 203 mm, moderne potloodfoliëring. Twee gedeelten. Eerste gedeelte (fol. 1-104): bladspiegel 192 × 135 à 138 mm; één kol., 32 à 34 rr. per kol.; oude foliëring met rode Romeinse cijfers; één hand (littera bastarda); rode initiaal; rode lombarden, titels en paragraaftekens; 13 miniaturen. Tweede gedeelte (fol. 105-162): bladspiegel 215 × 163 à 165 mm; 2 kol., 35 rr. per kol.; oude foliëring met zwarte Romeinse cijfers, midden in de bovenste marge; één hand (littera bastarda); blauwe initiaal met rood en zwart penwerk; rood-blauwe initiaal met rood en zwart penwerk; rode lombarden en hoofdletters. Op fol. 101vo: Jnt jaer ons heeren duustvierhondert ende een ende lxxx. Den xxiiijen jn september ghescreuen ende vulcommen by my victoor hugen inde stede van brugghe. Zestiende-eeuwse donkerbruin kalfsleren band op eiken borden; voor- en achterplat met filets en rolstempels versierd; in de vier hoeken en in het midden, zowel op het voor- als op het achterplat, koperen knoppen; twee koperen sloten, waaraan de sluithaken ontbreken; rug vernieuwd.

 

Pl. 68

 

Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek, Gl. kgl. Saml. 383, 2o.

 

 

Het eerste gedeelte van dit handschrift (fol. 1ro-101vo) wordt ingenomen door een Middelnederlandse bewerking van de Ludus scaccorum of het Liber de moribus hominum, een werk van de

[p. 247]

Italiaanse dominikaan Jacobus de Cessolis (14de eeuw), waarin hij aan de hand van het schaakspel alle standen van de maatschappij, van koning en koningin tot ambachtsman, zijn plichten voorhoudt. Het bestaat uit vier traktaten. Het eerste traktaat handelt over de oorsprong van het schaakspel, het tweede over de hogere schaakfiguren, het derde over de lagere schaakstukken, het vierde over de onderlinge betrekkingen en de bewegingen van de figuren. Het werk bevat een groot aantal exempelen, die meestal aan de klassieke Griekse en Latijnse schrijvers zijn ontleend. Reeds vóór 1403 werd de Ludus scaccorum onder de naam Dat scaecspel door een Westvlaming, die zich Franconis noemt, vrij in de landstal bewerkt. Het vierde traktaat dat over de bewegingen van de schaakstukken handelt, heeft hij in het tweede en in het derde traktaat verwerkt. Behalve in het boven beschreven handschrift is Dat scaecspel nog in de volgende handschriften bewaard gebleven: Berlijn, Staatsbibliothek der Stiftung Preussischer Kulturbesitz, Ms. germ. quart 554; Hamburg, Staats- und Universitätsbibliothek, nunc Berlijn, Deutsche Staatsbibliothek, Phil. germ. 20; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 20.040; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 70 H 32 en 70 H 33; Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek, Thott 312, 2o; Londen, British Museum, Add. 10.290 en Parijs, Bibliothèque Nationale, néerl. 31. Dat scaecspel werd driemaal gedrukt: de eerste maal in 1479 door Gheraert Leeu te Gouda (Campbell, 419); de tweede maal omstreeks 1479, misschien door J. de Vollenhoe te Zwolle (Campbell, 420) en de derde maal in 1483 door J.J. van der Meer te Delft (Campbell, 421).

Het tweede gedeelte van het hier besproken handschrift (fol. 105ro-161vo) bevat Dat kaetspel ghemoralizeert, waarin een parallel wordt getrokken tussen het kaatsspel en de rechtspleging in de 14de eeuw. Het werk werd in 1431 geschreven, in navolging van Dat scaecspel, door Jan van den Berghe, een oud-baljuw, op verzoek van ridder Rudolf van Uutkerke, een bevorderaar van een rechtvaardige rechtspraak en een groot liefhebber van het kaatsspel. Het werk bevat 103 exempelen, waarvan er 15 aan de H. Schrift en bijna alle overige aan klassieke schrijvers zijn ontleend, onder wie Valerius Maximus en Seneca een eerste plaats innemen. Uit Dat scaecspel zijn 26 exempelen overgenomen. Behalve in het hier besproken handschrift is Dat kaetspel ghemoralizeert in de hss. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, II 5205 en Kopenhagen, Koninklijke Bibliotheek, Thott 312, 2o bewaard gebleven. Een

[p. 248]

Ripuarisch afschrift bevindt zich in hs. Keulen, Historisches Archiv, G.B. 4o 87. Het werk werd viermaal gedrukt: de eerste maal in 1477 door Jan van Westfalen te Leuven (Campbell, 1060), de tweede maal in 1498 door H. Eckert van Homberch te Delft (Campbell, 1061), de derde maal in 1529 door J. van Liesvelt te Antwerpen en de vierde maal in 1551 door A.M. Bergaigne te Leuven.

Het hier besproken handschrift werd op 24 september 1481 door Victoor Hugen te Brugge voltooid. Het heeft toebehoord aan B. Mölmann († 1778), professor aan de universiteit te Kopenhagen. Op de veiling van diens bibliotheek werd het in 1783 door de Koninklijke Bibliotheek te Kopenhagen gekocht.

 

Cat.-B. Möllman, Kopenhagen, 1783, p. 143, nr. 19; D. Sleeckx, F. Vander Haeghen en P. Fredericq, Rapports sur Het gemoraliseerd kaatsspel door F. van Verdeghem, Bulletins de l'Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, 3e Série, 29 (1895), p. 97-104; F. van Veerdeghem, Het gemoraliseerd kaatsspel, Bulletins de l'Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts de Belgique, 3e Série, 29 (1895), p. 165-199; C.G.N. de Vooys, Iets over en uit het ‘Scaecspel’, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 26 (1907), p. 225-275; Dat scaecspel, uitgegeven door G.H. van Schaick Avelingh, Leiden, 1912; Dat kaetspel ghemoralizeert, uitgegeven door J.A. Roetert Frederikse, Leiden, 1915; C.G.N. de Vooys, Bijdragen tot de Middelnederlandse woord-geografie en woord-chronologie, IV. Is de bewerker van ‘Dat scaecspel’ een Hollander of een West-Vlaming? Tijdschrift voor Nederlandsche Taalen Letterkunde, 54 (1935), p. 280-289; S. Axtjers, Bibliotheca Dominicana Neerlandica Manuscripta 1224-1500, Leuven, 1970, p. 158-160 (Bibliothèque de la Revue d'histoire ecclésiastique, 49).