91. Gregorius de Grote. HomilieënGregorius de Grote, Homiliae in evangelia, Middelnederlandse vertaling; Conversio sanctae Catharinae, Middelnederlandse vertaling, en andere teksten, Limburg (Maaseik), 1431.Papier; 3 + 271 + 3 bll.; blad en bladspiegel resp. 213 × 147 mm en ca. 150 × ca. 95 mm; 1 kol., 29 à 31 rr. per kol. Moderne potloodfoliëring. Eén hand (littera textualis). Een opengewerkte rode initiaal met rood penwerk; rode lombarden, soms
opengewerkt en met rood penwerk; rode titels; correcties (door de kopiiste). Op fol. 208ro, door de kopiiste, met zwarte inkt, maar rood onderstreept: Dit boec was ghemaect in duytschen Jnt Jaer ons heren .M.CCC. ende .lxxx. begonnen omtrent keersauont ende gheindt in den vasten (datum, waarop de vertaling van de Homiliae in evangelia is voltooid). Op fol. 271ro, in het rood, door de kopiiste: Expliciunt beati gregorij omelien gheeynt int Jaer ons heren dusent vierhondert Jnde XXXI Jnden maent dien men noempt Junius .xiij. daghe. Op de rectozijde van het eerste oude schutblad voorin, bovenaan (littera bastarda): Dyt bueck behoert den susteren by eyck jnden besloet. Oorspronkelijke donkerbruin kalfsleren band op houten borden; rug en hoeken vernieuwd; voor- en achterplat met driedubbele filets versierd; twee koperen sloten, waaraan de sluithaken ontbreken.
's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 H 6.
Het grootste gedeelte van dit handschrift (fol. 1ro-258ro) wordt door de Middelnederlandse vertaling van de Homiliae in evangelia van Gregorius de Grote ingenomen. Dit in de middeleeuwen zeer verspreide werk bestaat uit 40 preken over evangeliën, die in de loop van het kerkelijk jaar op zon- en feestdagen in verschillende kerken van Rome werden voorgedragen. De eerste twintig homilieën heeft Gregorius in zijn werkkamer gedicteerd en in zijn bijzijn door zijn notarius laten voorlezen, de twintig andere heeft hij zelf uitgesproken en door snelschrijvers laten optekenen. Daar er buiten zijn weten foutieve afschriften in omloop waren gebracht, bezorgde hij zelf een correcte uitgave in twee boeken. Het eerste boek bevat de twintig homilieën, die hij heeft gedicteerd, het tweede de twintig andere, die hij zelf had gepredikt. De preken zijn gerangschikt, niet in liturgische volgorde, maar in de volgorde, waarin ze zijn uitgesproken. De Homiliae in evangelia zijn in 1380 door de z.g. Bijbelvertaler van 1360, waarschijnlijk een monnik uit de abdij van Affligem, in het Middelnederlands vertaald. De vertaler rangschikte de homilieën in liturgische volgorde en liet aan zijn vertaling een proloog voorafgaan. Die vertaling is, behalve in het hierboven beschreven handschrift, nog in de volgende manuskripten bewaard gebleven: Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, I C 60; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 422-26, 3753, 1173-74, 15071 en 15092; Bonn, Universiteitsbibliotheek, S 1251; Deventer, Atheneumbibliotheek, 10 V 2; Düsseldorf, Landes- und Stadtbibliothek, B 82; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 70 E 20, 73 E 17 en 73 E 19; 's-Gravenhage, Museum Meermanno-Westreenianum, 10 C 6; 's-Heerenberg, Huis Bergh; Roermond, Bisschoppelijk Seminarie, Op. arch. oct. I 4 en Straatsburg, Bibliothèque Nationale
et Universitaire, 2099 (All. 175); bovendien zijn nog excerpten bewaard in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 2873-74 en fragmenten in hs. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 10 A 13. Deze vertaling werd in 1479 door Joh. Veldener te Utrecht gedrukt (Campbell, 854). Middelfrankische afschriften van deze Middelnederlandse vertaling zijn overgeleverd in de hss. Brussel, Bibliotheca Bollandiana, 31; Darmstadt, Hessische Landes- und Hochschulbibliothek, 813 en Stockholm, Koninklijke Bibliotheek, Huseby 15. Vermeldenswaard is nog dat Dirc van Herxen (1381-1457) in zijn eerste Diets kollatieboek, volledig bewaard in hs. Utrecht, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 3 L 6 en gedeeltelijk in hs. Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, B.P.L. 2231, acht excerpten uit de Homiliae in evangelia in een zelfstandige vertaling heeft opgenomen; bovendien bevinden er zich negen excerpten in de gedeelten van het tweede Dietse kollatieboek die in hs. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, I G 47 tot ons zijn gekomen. Het overige gedeelte van het handschrift bevat excerpten uit preken van pseudo-Augustinus, Gregorius en pseudo-Beda, alsook Wie sante katherina tot cristum bekert wert (fol. 263vo-267vo) en Van sante loye (fol. 267ro-268ro), resp. vertalingen van Conversio sanctae Catharinae en De sancto Eligio episcopo. Deze teksten komen ook voor in hs. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1805-08; bovendien bevindt Wie sante katherina tot cristum bekert wart zich nog in hs. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, VI B 15 en Van sante loye nog in de hss. Amsterdam, Universiteitsbibliotheek, VI B 14; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 133 E 6 en Londen, British Museum, Add. 18.162. Het hier besproken handschrift is in 1431 geschreven in het Sint-Agnesklooster te Maaseik door de eerste libraria van het klooster, blijkbaar één van de vier zusters, die in 1429 uit het klooster Marienweide te Venlo waren gekomen om een twintigtal meisjes, die in Maaseik een priorij van reguliere kanunnikessen wilden stichten, in de regel van de H. Augustinus in te wijden. Die libraria is een zeer bedrijvige kopiiste geweest, want er zijn nog 14 andere Middelnederlandse handschriften bewaard gebleven, die tussen 1427 en 1445 door haar zijn geschreven, nl. de hss. 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 73 H 10, 73 H 19, 73 H 3, 73 H 18, 73 H 20, 73 H 14, 73 H 4, 73 H 25, 73 H 24 en 73 H 22; Groningen, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 216 en Utrecht, Bibliotheek
der Rijksuniversiteit, 5 E 18, 2 E 15 en 5 E 19. Het Sint-Agnesklooster werd in 1797 door de Fransen opgeheven. De handschriften en boeken werden naar Maastricht gebracht, waar zij samen met andere handschriften en boeken uit afgeschafte kloosters van het Departement van de Nedermaas in het gebouw van de Centrale Administratie opgestapeld werden. Alle handschriften en boeken uit de opgeheven Limburgse kloosters werden in 1801 te Maastricht geveild, behalve 120 handschriften en 352 oude drukken, die in 1839 in een donker vertrekje op de derde verdieping van het Gouvernementsgebouw te Maastricht ontdekt werden. Die handschriften en boeken werden naar 's-Gravenhage gezonden, waar zij door J.W. Holtrop, bibliothecaris van de Koninklijke Bibliotheek, over de Koninklijke Bibliotheek te 's-Gravenhage, de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Utrecht en de Bibliotheek der Rijksuniversiteit te Groningen werden verdeeld. Het hier besproken handschrift behoorde tot de 72 handschriften, die aan de Koninklijke Bibliotheek werden toebedeeld.
A.G. Flament, Catalogus der stadsbibliotheek van Maastricht, bewerkt als ‘Bibliotheca Limburgensis’, I, Maastricht, p. XV, nr. 44; LIV, nr. 418 en LXII, nr. 418; C.H. Ebbinge Wubben, Over Middelnederlandsche vertalingen van het Oude Testament. Bouwstoffen voor de geschiedenis der Nederlandsche bijbelvertaling, 's-Gravenhage, 1903, p. 229, voetnoot 1; C.G.N. de Vooys, Iets over middeleeuwsche bijbelvertalingen, Theologisch Tijdschrift, 37 (1903), p. 154-156; Catalogus codicum manuscriptorum Bibliothecae Regiae, I. Libri Theologici, 's-Gravenhage, 1922, p. 137, nr. 539; Middelnederlands geestelijk proza, verzameld door C.C. de Bruin en ingeleid door C.G.N. de Vooys, Zutphen, 1940, p. 264-265, nr. 107; J. Deschamps, Handschriften uit het Sint-Agnesklooster te Maaseik, Album Dr. M. Bussels, Tongeren, 1967, p. 173, nr. 3; C.C. de Bruin, Bespiegelingen over de ‘Bijbelvertaler van 1360’. Zijn milieu, werk en persoon, Nederlands Archief voor Kerkgeschiedenis, Nieuwe Serie, 50 (1969), p. 14, voetnoot 5. |