Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken


auteur: J. Deschamps


bron: J. Deschamps, Middelnederlandse handschriften uit Europese en Amerikaanse bibliotheken. E.J. Brill, Leiden 1972 (tweede druk)  


verantwoording

inhoudsopgave

doorzoek de hele tekst


downloads



DBNL vignet

[p. 116]

36. Jan van Boendale, Der leken spieghel

Jan van Boendale, Der leken spieghel, Brabant, ca. 1350.

Perkament; 2 + 143 bll.; blad en bladspiegel resp. 223 × 170 mm en ca. 180 × ca. 130 mm; 2 kol., 40 rr. per kol. Moderne foliëring met zwarte inkt. Twee handen (littera textualis). Opengewerkte rood-blauwe initialen met rood en paars penwerk; afwisselend rode lombarden met paars en blauwe lombarden met rood penwerk; afwisselend rode en blauwe paragraaftekens; inhoudsopgaven van de vier boeken in het rood geschreven; rode titels; beginletters van de verzen in een aparte kolom, maar niet doorstreept. Achttiende-eeuwse kalfsleren band; rug met vrguldwerk. Ex-libris van C. van Bavière en K. van Hulthem.

 

Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.658.

 

Na Die Brabantsche yeesten schreef Jan van Boendale Der leken spieghel, een uitgebreid dichtwerk (21.818 verzen) over godsdienst, zedenleer en kerkgeschiedenis dat als zijn voornaamste werk en als het belangrijkste Middelnederlands leerdicht mag worden beschouwd. Dit werk dat hij in 1325 begon en op 6 augustus 1330 voltooide, droeg hij op aan Rogier van Leefdale, burggraaf van Brussel, en aan diens gemalin Agnes van Kleef. Jan III, hertog van Brabant, bood hij eveneens een exemplaar van zijn werk aan. Het leerdicht bestaat uit vier boeken en is zeer verscheiden van inhoud. In het eerste boek (4900 verzen) handelt Boendale over God, de engelen, het heelal, het vagevuur, de hel, het lichaam, de ziel, Adam en Eva, de zondeval, Kaïn en Abel, Noach, Abraham, Mozes, de stichting van Rome en de vroegste Romeinse geschiedenis; daartussen weidt hij uit over het huwelijk, de nijd, de gierigheid, de dronkenschap, de eerbied voor de ouders, de regeerkunst, de gehoorzaamheid en de tien geboden. In het tweede boek (10.385 verzen) behandelt hij de geschiedenis van Maria, het leven van Jezus tot zijn 12de jaar, verder het lijden, de hellevaart, de verrijzenis en de hemelvaart van Christus, alsook de geschiedenis der pausen tot Karel de Grote; daarin verklaart hij ook het onzevader, het weesgegroet, het credo, de misgewaden, de mis, de zeven getijden en de zeven tijdperken, waarin de geschiedenis van het mensdom kan verdeeld worden. Het leven van Jezus van zijn 12de jaar tot aan zijn passie liet hij weg, omdat Maerlant dit gedeelte van Jezus' leven reeds in de Rijmbijbel had behandeld. Het derde boek bestaat uit een aantal zedenlessen, vaak met exempelen of korte verhalen toegelicht; daarin handelt Boendale o.a. over het bestrijden van de afgunst, de gramschap en de onkuisheid; over de verhouding van man en vrouw in het huwelijk en

[p. 117]

over de opvoeding van de kinderen; over de vier standen (geestelijkheid, adel, boeren en kooplieden); over de vijf soorten van liefde (God, echtgenoot, landsheer, ouders, kinderen). Opmerkelijk is vooral het 15de hoofdstuk, waarin Boendale als vereisten voor een dichter een grondige kennis van taal en stijl, waarheidsliefde en een onberispelijke levenswandel vooropstelt en dat als een eerste proeve van poëtica in het Diets mag beschouwd worden; in dit hoofdstuk ook noemt Boendale Jacob van Maerlant de ‘vader der dietscher dichtren algader’. Het vierde en laatste boek (1116 verzen) is aan de toekomst gewijd: hoe de christenen Jeruzalem zullen veroveren en hoe een christenkoning over Jeruzalem zal regeren, hoe de Antichrist het volk zal willen misleiden en hoe Enoch en Helias door hem worden gedood, hoe vijftien tekenen de oordeelsdag zullen aankondigen en hoe God de kwaden naar de hel zal verwijzen en de goeden in het hemelrijk zal opnemen. Al kunnen verschillende bronnen aangewezen worden, waaruit Boendale zijn stof heeft geput, toch is Der leken spieghel oorspronkelijk van opvatting en uitwerking. In het eerste boek gebruikte hij als bron de Sidrac en de Natuurkunde des geheelals; in het tweede boek de Legenda aurea van Jacobus de Voragine, het Evangelie van pseudo-Petrus, het Evangelie van Nicodemus, het Rationale divinorum officiorum van Gulielmus Durandus en het Chronicon summorum pontificum atque imperatorum romanorum van Martinus Polonus (Martinus van Troppau); in het derde boek de Disticha Catonis en de Facetus, twee bekende spreukenverzamelingen.

Behalve in dit handschrift is Der leken spieghel nog in drie handschriften overgeleverd: 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 75 E 62 en 75 E 63 en 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, Bruikleen Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, XXIII. Verder zijn er nog enkele fragmenten van andere handschriften bewaard gebleven o.a. Brussel, Koninklijke Bibliotheek, II 5949, IV 209, 2, IV 398, 2 en IV 636, 7; 's-Gravenhage, Koninklijke Bibliotheek, 76 D 41, 4; Gent, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, 1588; Gotha, Landesbibliothek, II 220; Leiden, Bibliotheek der Rijksuniversiteit, Letterk. 187, 1198 en 1203 en Straatsburg, Bibliothèque Nationale et Universitaire, 2938 (Holl. 2). Excerpten uit Der Leken spieghel komen voor in de hss. Anholt i. Westf., Fürstlich Salm-Salmsches Archiv, Schmitz 42; Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 15.589-623; Stuttgart, Württembergische Landesbi-

[p. 118]

bliothek, Cod. poet. et philol. fol. 22 en Wenen, Österreichische Nationalbibliothek, 13.708.

In de 15de eeuw heeft het handschrift toebehoord aan Heinrich Estor, in de 16de eeuw aan Lambrecht vanden Wesenhagen, in de 18de aan Judocus Tkint. Daarna maakte het deel uit van de bibliotheek van Charles Louis Van Bavière (1765-1815), secretaris van de juridische faculteit, die in 1807 te Brussel werd opgericht en in 1814 werd afgeschaft. Op 8 december 1815 werd het door de Gentse bibliofiel en botanicus Karel van Hulthem (1764-1832) van de weduwe van Ch. L. Van Bavière gekocht. In 1837 kwam het, samen met de verzameling-K. van Hulthem, in de Koninklijke Bibliotheek te Brussel.

 

Bibliotheca Hulthemiana, VI, Gent, 1836, p. 53-54, nr. 197; M. de Vries, Der leken spieghel, leerdicht van den jare 1330, toegekend aan Jan Deckers, klerk der stad Antwerpen, Leiden, 1844-1848, 4 dln.; J. te Winkel, Middeleeuwsche zedespreuken. Die Bouc van seden en Der leken spiegel, Dietsche Warande, Nieuwe reeks, 5 (1892), p. 60-76; M. Boas, De IV virtutibus cardinalibus, een middeleeuwse benaming voor de Disticha Catonis, Tijdschrift voor Nederlandsche Taal- en Letterkunde, 31 (1912), p. 101-138; H.F. Rosenfeld, Mittelniederländische Reimkroniken, Mémoires de la Société Néophilologique, 13 (1939), p. 348-378; J.J. Mak, Boendale en de Legenda aurea, Amsterdam, 1957 (Mededelingen der Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen te Amsterdam, afd. Letterkunde, Nieuwe reeks, deel 20, nr. 13); J.J. Max, Boendale-studies, Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 75 (1957), p. 241-290 en 77 (1959), p. 65-111; J.F. Vanderheyden, Litteraire theorieën en poëtiek in Middelnederlandse geschriften. Enkele losse beschouwingen, Verslagen en Mededelingen van de Koninklijke Vlaamse Academie voor Taal- en Letterkunde, 1961, p. 173-275; Karel van Hulthem, 1764-1832, Brussel, Koninklijke Bibliotheek, 1964, p. 267-269, nr. 106.