terug  begin  verder
[p. 9]

De guitige Kikker.

 
Een ooievaar op hoogen poot
 
Trok statig naar den breeden sloot;
 
Bij de' overkant, daar stond een snoek
 
Op schildwacht in een donkren hoek.
 
 
 
Een kikkertje zwom lustig rond,
 
Omdat-ie 't water lekker vond;
 
Nu op zijn buik, dan op zijn rug,
 
En nu eens langzaam, dan weer vlug.
 
 
 
Opeens hij beide bazen zag;
 
Toen kwam er om zijn bek een lach.
 
‘Die slokkerds’, dacht-ie ‘'k fop ze net’,
 
En dóór hij zwom met grooten pret.
 
 
 
En toen hij bij den langbeen kwam,
 
In eens een grooten vaart hij nam,
 
En joeg, als zat hij in een spoor,
 
Tusschen den dubblen vijand door.
 
 
 
Heer ooievaar deed haastig: ‘pik’!
 
De snoek schoot ‘roef’ vooruit: o schrik!
 
Daar heeft de bek den snavel beet;
 
Als ijzer zijn ze aaneen gesmeed.
 
 
 
De langbeen trekt; de snoek, die rukt;
 
Loskomen geen van bei gelukt.
 
Het water schudt en plast en spuit, -
 
En 't kikkertje, dat lacht hen uit.
terug  begin  verder