terug  begin  verder
[p. 13]

Eendje.

 
Onlangs stond aan 't gladde water
 
Een matroosje, flink en rap;
 
En een eend zwom met gesnater
 
Roeiend rond, - was dat niet knap?
 
 
 
Pikkebroek kon niet verdragen,
 
Dat die eend zoo lustig zwom;
 
Smeet het, om het wat te plagen,
 
Naar den kop, - was dat niet dom?
 
 
 
Dapper eendje wou zich weeren,
 
Snaatrend sprong het aan den wal,
 
Vloog 't matroosje in de kleeren
 
En den hoed, - was dat niet mal?
 
 
 
En het wou maar niet bedaren;
 
Pikkebroek ging op den hol;
 
Eendje beet hem in de haren
 
En de neus, - was dat niet dol?
terug  begin  verder