[p. 14]
Groote en Kleine Kat.
Mijn zoon, kijk naar die kleine poes
En naar die groote kat;
Dat heelt u beter van uw roes
Dan een koud-water-bad.
Als poesje naar een vogel springt
En deze haar ontvliedt,
Dan blijft het even blij en zingt
Maar steeds zijn vroolijk lied.
Maar als de kat een musch beloert
En deze haar ontgaat,
Dan wordt zij schrikkelijk beroerd.
Dan wordt zij naar en kwaad.
Een traan druipt neer langs iedren wang,
Zij likt haar knevelbaard;
Dan gaat zij heen met droeven gang,
Neerslachtig sleept haar staart.
Wees dankbaar, dat 'k u beiden toon,
En kies hoe gij wilt zijn;
En ga nu naar de kast, mijn zoon,
En haal nog één flesch wijn.