[p. 24]
Stadsgezicht.
Toen ik laatst een enkel uurtje
Met mijn vrouwtje wandlen ging,
Kwam ik door een aardig buurtje,
Vol geraas en warreling.
Vrouwen zag ik kousen mazen,
Kindren liepen door elkaar;
Timmerlieden, metselbazen,
Grepen flink mekaar in 't haar.
Meisjes zag ik vroolijk praten;
Honden blaften bas bas bas,
En een compagnie soldaten
Maakte gemarkeerden pas.
Was dat niet een grappig buurtje?
Vrouwtje zei: ‘hoe jammer man,
Als je maar een enkel uurtje
Naar die menschen kijken kan.’