[p. 25]
Jantje denkt na.
Mijn vader is mijn beste vrind
En dan mijn onderwijzer,
Maar wie ik de' allerbesten vind,
Dat's eigenlijk toch
Keizer
.
Dien mag ik stompen voor de pret
En knijpen in zijn lenden,
En nooit zal hij me naar mijn bed
Of uit de kamer zenden.
Dien mag ik duwen in het zand
En jagen door de paden,
En nooit zet hij mij aan den wand
En nooit zal hij me raden.
Het ergste wat hij doet is ‘waf!’
Dan moet ik wel eens schrikken,
Maar dat's dan ook mijn heele straf,
En gauw komt hij me likken.
O, was 't met iedereen zoo'n jool,
Wat had ik dan een leven;
'k Ging nooit naar bed en nooit naar school
En stoeide aldoor voor zeven.