[p. 28]
De briefkaart.
O Jantje, roep den brievenman
En geef hem deze kaart,
En zeg: hij klinnne rustig 'an
Het dak op, onvervaard.
Hij spring' den telefoonpaal op
Van 't dak af met de kaart,
En klautre boven in den top,
En kijke rond, bedaard.
En ziet hij dan een vliegenier
Hij praaie 'em met de kaart,
En reike ze over, met veel zwier,
Te midden van zijn vaart.
En roepe tot den motormusch:
Wanneer gij komt op aard,
Stop dan in de' allereersten bus
Die schoonbeschreven kaart.
En heeft hij alles goed gedaan
Met deze mooie kaart,
Dan mag hij even rijden gaan
Op Jantje's hobbelpaard.