[p. 31]
Geheimpje.
Kindje, kom eens even luistren,
Zachtjes, met je rechteroor;
'k Moet een klein geheimpie fluistren,
Sst! - dat niemand anders 't hoor'!
Gistren was ik aan 't flaneeren
Op den singel, bij 't kanaal;
Weet je, waar ze bootjes meeren
Aan zoo'n dikken zwarten paal?
Nu, daar kwam 'k een stortbui tegen,
En die nam mijn hoogen hoed
Zoo maar af, en door den regen
Rolde-ie voort toen in den vloed.
En wat denk je nu, mijn diertje,
Dat ik toen wel heb gedaan?
Zet je oortje eens op een kiertje:
Blootshoofds ben 'k naar huis gegaan.