[p. 33]
Stortbui.
‘Jantje, ja, die mag gaan schuilen;
Oompie is daarvoor te groot;
Wacht dan, Jantje, zonder huilen,
Onder 't afdak, bij de goot.
Oom, die haalt je, en hij gaat nu
Huiswaarts om een paraplu.’
Door den regen Oom dan henen,
En de bakken stroomden neer;
Plassen trilden op de steenen,
Plassen vielen weer en weer.
Hoed en jas, en jas en broek,
Alles blonk als oliedoek.
Lieve deugd, wat werd ik nat!
Net zoo nat haast als die kat,
Die eens, op zijn muizen prat,
Vierkant sprong in 't open vat,
En in eens, met groot gespat,
Midden in den pekel zat.
Net zoo nat haast als die kater,
Die, gevlucht voor gansgesnater
In een boom vloog, en wat later,
Toen een tak brak, voor zijn flater
Boeten moest, en met geklater
Neerplofte in het wa-wa-water.
Oom, zei Jantje, weet u wàt?
U 's net Jantje in Jantje's bad.