[p. 37]
Zwemmen op Java.
O, o, wat voelt die kali frisch,
En dat na drie uur loopen
Door sawa en door wildernis, -
Green koning kan dat koopen.
Maar daar, die bruine broeder daar,
Wat zit die me aan te kijken,
En waarom komt een heele schaar
Op 't vlot daar naast hem prijken?
Nu, willen zij een blanken man
Met blandakunst zien zwemmen,
Mijn blandakunst die toone ik dan,
Dat zal hen needrig stemmen.
Dus, zonder plonsen, zeilde ik fier
Het vlot langs heen en weder,
Op buik en rug, altijd met zwier
En licht steeds als een veder.
Maar eindlijk klom ik op het vlot
En zat er uit te blazen;
De bruintjes smoesden; 't leek wel spot;
Toen sloeg ik aan het razen.
En 'k riep: ‘wel, zeg het dan, perdom,
Of 'k zal je levend villen.’
Toen kwam er eindlijk een gebrom:
‘'t Krioelt van krokodillen.’